Zorgplicht door werkgever geschonden
Opzegging van een arbeidsovereenkomst is kennelijk onredelijk als een redelijk oordelende werkgever niet tot een dergelijke opzegging had kunnen komen of als de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Wanneer de kantonrechter in een procedure vaststelt dat de opzegging kennelijk onredelijk was, wordt daarmee niet de dienstbetrekking hersteld, maar zal de werkgever een schadevergoeding moeten betalen aan de werknemer. Bij de beantwoording van de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is, moeten alle aangevoerde en juist bevonden feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen. Daardoor kunnen ook feiten en omstandigheden die niet de aanleiding zijn geweest voor de opzegging toch in de beoordeling worden betrokken. Dat kan flinke financiële gevolgen hebben.
In een voorkomend geval ging het om een ontslag van een arbeidsongeschikte werkneemster die niet herplaatst kon worden. Bij de beoordeling van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag betrok de kantonrechter ook een eerdere arbeidsongeschiktheidsperiode van de werkneemster, die mede was veroorzaakt door spanningen tussen de werkneemster en haar afdelingshoofd. De werkgever had de communicatiestoornis tussen afdelingshoofd en werkneemster niet op tijd onderkend en onvoldoende op waarde geschat. Darmee had de werkgever zich niet als een goed werkgever gedragen. De werkneemster werkte na de eerste arbeidsongeschiktheid in het kader van haar re-integratie op een andere afdeling tot zij opnieuw door ziekte uitviel. De werkgever vond de eerste arbeidsongeschiktheid niet relevant voor de beoordeling van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag. De kantonrechter zag dat anders, omdat niet was vastgesteld dat de re-integratie was geslaagd of dat de werkneemster op enig tijdstip weer volledig arbeidsgeschikt was.
De tweede arbeidsongeschiktheid werd veroorzaakt door een reanimatie van een patiënt met een verstuikte pols. Dat leidde tot beschadiging van een aantal pezen in de geblesseerde hand. De werkneemster moest wel reanimeren omdat zij op dat moment alleen op de afdeling was. Volgens de werkgever had de werkneemster met het aanwezige alarmsysteem direct een collega kunnen oproepen. De kantonrechter vond dat de werkgever onvoldoende maatregelen had getroffen om schade van de werkneemster bij de uitoefening van haar werk te voorkomen. Tenslotte vond de kantonrechter dat de werkgever zich onvoldoende had ingespannen om de werkneemster na haar tweede arbeidsongeschiktheid te laten re-integreren. Rekening houdend met alle omstandigheden van het geval stelde de kantonrechter het bedrag van de vergoeding van materiële en immateriële schade vast op € 58.000 bruto.
Opzegging van een arbeidsovereenkomst is kennelijk onredelijk als een redelijk oordelende werkgever niet tot een dergelijke opzegging had kunnen komen of als de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Wanneer de kantonrechter in een procedure vaststelt dat de opzegging kennelijk onredelijk was, wordt daarmee niet de dienstbetrekking hersteld, maar zal de werkgever een schadevergoeding moeten betalen aan de werknemer. Bij de beantwoording van de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is, moeten alle aangevoerde en juist bevonden feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen. Daardoor kunnen ook feiten en omstandigheden die niet de aanleiding zijn geweest voor de opzegging toch in de beoordeling worden betrokken. Dat kan flinke financiële gevolgen hebben.
In een voorkomend geval ging het om een ontslag van een arbeidsongeschikte werkneemster die niet herplaatst kon worden. Bij de beoordeling van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag betrok de kantonrechter ook een eerdere arbeidsongeschiktheidsperiode van de werkneemster, die mede was veroorzaakt door spanningen tussen de werkneemster en haar afdelingshoofd. De werkgever had de communicatiestoornis tussen afdelingshoofd en werkneemster niet op tijd onderkend en onvoldoende op waarde geschat. Darmee had de werkgever zich niet als een goed werkgever gedragen. De werkneemster werkte na de eerste arbeidsongeschiktheid in het kader van haar re-integratie op een andere afdeling tot zij opnieuw door ziekte uitviel. De werkgever vond de eerste arbeidsongeschiktheid niet relevant voor de beoordeling van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag. De kantonrechter zag dat anders, omdat niet was vastgesteld dat de re-integratie was geslaagd of dat de werkneemster op enig tijdstip weer volledig arbeidsgeschikt was.
De tweede arbeidsongeschiktheid werd veroorzaakt door een reanimatie van een patiënt met een verstuikte pols. Dat leidde tot beschadiging van een aantal pezen in de geblesseerde hand. De werkneemster moest wel reanimeren omdat zij op dat moment alleen op de afdeling was. Volgens de werkgever had de werkneemster met het aanwezige alarmsysteem direct een collega kunnen oproepen. De kantonrechter vond dat de werkgever onvoldoende maatregelen had getroffen om schade van de werkneemster bij de uitoefening van haar werk te voorkomen. Tenslotte vond de kantonrechter dat de werkgever zich onvoldoende had ingespannen om de werkneemster na haar tweede arbeidsongeschiktheid te laten re-integreren. Rekening houdend met alle omstandigheden van het geval stelde de kantonrechter het bedrag van de vergoeding van materiële en immateriële schade vast op € 58.000 bruto.