
De pensioentoezegging die een BV doet aan haar dga hoeft niet bij een verzekeringsmaatschappij of pensioenfonds te worden ondergebracht, maar mag door de BV in eigen beheer worden gehouden. Een dga was aandeelhouder van de helft van de aandelen van een BV. Zijn broer had de andere helft van de aandelen. De BV had aan beide broers een pensioen toegezegd dat in eigen beheer werd gehouden. De dga richtte vervolgens een pensioen-BV op. Zijn pensioenvoorziening werd door de pensioen-BV overgenomen. Vervolgens werd de pensioen-BV verplaatst naar de Nederlandse Antillen. Enkele jaren later deed de dga afstand van zijn pensioenrechten. De vrijval van deze verplichting leidde tot winst voor de pensioen-BV die op de Antillen slechts laag werd belast.
Er volgde een procedure over de waarde van de pensioenverplichting ten tijde van de verplaatsing van de pensioen-BV naar de Antillen en ten tijde van de daaraan voorafgaande overname van de pensioenverplichting door de pensioen-BV.
Hof Arnhem was van oordeel dat het prijsgeven van de pensioenrechten afhankelijk was van de eerdere overdracht van de pensioenverplichting. Verder was niet aannemelijk dat de dga zou hebben afgezien van zijn pensioenrechten voor de overdracht, omdat hij slechts 50% van de aandelen bezat in die BV. Volgens het hof hoefde bij de overname van de pensioenvoorziening door de pensioen-BV geen rekening te worden gehouden met de kans op afzien van de pensioenrechten. Ten tijde van de verplaatsing van de pensioen-BV moest de pensioenverplichting lager worden gewaardeerd, omdat de hele constructie was opgezet om tegen een laag belastingtarief te kunnen afzien van de pensioenrechten. Het verschil in waardering vormde in Nederland belastbare winst van de pensioen-BV.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof afgewezen.