Zakelijke huur pand gesteld op 10% van waarde; geen verlaging salaris DGA

Een DGA was eigenaar van een winkelpand. Vanaf 18 maart 1992 verhuurde hij dit pand aan zijn BV voor een huur van ƒ 30.000 per jaar. De huurprijs werd jaarlijks geïndexeerd. Sinds de invoering van de Wet IB 2001 viel de verhuur van het pand onder de terbeschikkingstellingsregeling. In dat kader moest het pand worden getaxeerd. Nadat de huurovereenkomst in de loop van 2002 was geëindigd sloten de DGA en de BV een nieuw huurcontract voor een periode van 5 jaar zonder daarbij nadere afspraken te maken over de hoogte van de huur. De DGA ontving in 2002 € 14.875 aan huur en maakte € 9.255 aan kosten voor het winkelpand. De belastingdienst was van mening dat de ontvangen huur niet zakelijk was en corrigeerde het inkomen van de DGA. De belastingdienst stelde de waarde van het pand per 1 januari 2001 vast op € 484.637 en de huur op € 45.000 per jaar. De huurcorrectie werd aangebracht met ingang van het nieuwe huurcontract. De DGA bestreed deze correctie met de stelling dat de huurverhoging in zijn salaris verwerkt was. Hij gaf toe dat aan een andere huurder een hogere huur berekend zou worden, maar meende dat de huurprijs wel zakelijk was. De rechtbank was van oordeel dat een bruto huuropbrengst van 10 % van de waarde van het pand redelijk was. Gezien de taxaties van het pand was een huur van € 45.000 een zakelijke huurprijs zoals die tussen onafhankelijke partijen zou zijn overeengekomen. De DGA maakte niet aannemelijk dat een deel van zijn salaris in feite huur was en dat het niet de bedoeling was geweest om het salaris op het in 2002 betaalde bedrag vast te stellen. De rechtbank gaf aan dat het niet mogelijk is om het feitelijk genoten loon te verminderen tot het gebruikelijke loon volgens de gebruikelijkloonbepaling in de wet.
Een DGA was eigenaar van een winkelpand. Vanaf 18 maart 1992 verhuurde hij dit pand aan zijn BV voor een huur van ƒ 30.000 per jaar. De huurprijs werd jaarlijks geïndexeerd. Sinds de invoering van de Wet IB 2001 viel de verhuur van het pand onder de terbeschikkingstellingsregeling. In dat kader moest het pand worden getaxeerd. Nadat de huurovereenkomst in de loop van 2002 was geëindigd sloten de DGA en de BV een nieuw huurcontract voor een periode van 5 jaar zonder daarbij nadere afspraken te maken over de hoogte van de huur. De DGA ontving in 2002 € 14.875 aan huur en maakte € 9.255 aan kosten voor het winkelpand. De belastingdienst was van mening dat de ontvangen huur niet zakelijk was en corrigeerde het inkomen van de DGA. De belastingdienst stelde de waarde van het pand per 1 januari 2001 vast op € 484.637 en de huur op € 45.000 per jaar. De huurcorrectie werd aangebracht met ingang van het nieuwe huurcontract. De DGA bestreed deze correctie met de stelling dat de huurverhoging in zijn salaris verwerkt was. Hij gaf toe dat aan een andere huurder een hogere huur berekend zou worden, maar meende dat de huurprijs wel zakelijk was. De rechtbank was van oordeel dat een bruto huuropbrengst van 10 % van de waarde van het pand redelijk was. Gezien de taxaties van het pand was een huur van € 45.000 een zakelijke huurprijs zoals die tussen onafhankelijke partijen zou zijn overeengekomen. De DGA maakte niet aannemelijk dat een deel van zijn salaris in feite huur was en dat het niet de bedoeling was geweest om het salaris op het in 2002 betaalde bedrag vast te stellen. De rechtbank gaf aan dat het niet mogelijk is om het feitelijk genoten loon te verminderen tot het gebruikelijke loon volgens de gebruikelijkloonbepaling in de wet.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u