
Op grond van de Wet Waardering Onroerende Zaken (WOZ) wordt de waarde van een woning gesteld op de waarde in het economische verkeer. Dat is de verkoopprijs die behaald zou worden bij overdracht van de volle en onbezwaarde eigendom en de verkrijger de woning in de huidige staat onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. De gemeentelijke heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde van een pand niet te hoog heeft vastgesteld.
De eigenaren van een in het buitengebied gelegen vrijstaande woning bestreden de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde. Het perceel waarop de woning was gebouwd lag volgens het geldende bestemmingsplan in landelijk gebied en had grotendeels de bestemming natuur en landschap. Daardoor konden zij de woning niet uitbreiden en ook geen andere opstallen zoals een garage of een berging bouwen of een tennisbaan aanleggen. Het ontbreken van uitbreidingsmogelijkheden houdt echter niet in dat de waarde van de woning daardoor beduidend lager is dan de waarde van de door de gemeente gehanteerde vergelijkingsobjecten of dat de heffingsambtenaar daarmee rekening had moeten houden.
Hof Amsterdam was van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat hij de waarde van de woning niet te hoog had vastgesteld.