Woonplaats binnenvaartschipper
Een zelfstandige binnenvaartschipper, wiens schip een vaste ligplaats had in Duitsland, was in het jaar 2002 zowel naar Nederlands recht als voor de toepassing van het belastingverdrag met Duitsland inwoner van Nederland. Dit betekent dat de gehele winst uit onderneming in de heffing van de Nederlandse inkomstenbelasting werd betrokken.
Bij de aangifte over het jaar 2002 waren de jaarstukken van de onderneming niet meegestuurd. Dat gebeurde pas bij het bezwaarschrift tegen de opgelegde aanslag. De rechtbank was van oordeel dat de wijze waarop aangifte was gedaan geen aanleiding vormde voor toepassing van de zware sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast die de wet stelt op het niet doen van de vereiste aangifte.
Op basis van de normale regels van de bewijslastverdeling slaagde de belastingdienst er niet in om te bewijzen dat een in de jaarstukken vermelde privéstorting winst uit onderneming vormde. De herkomst van de privéstorting was onduidelijk en werd met een later overgelegde leningovereenkomst niet bevredigend verklaard, maar dat leverde onvoldoende bewijs op voor de aangebrachte correctie.
Het bewijs van de hoogte van de afschrijving op het schip lag bij de ondernemer omdat het om een aftrekpost op de winst ging. Deze slaagde er volgens de rechtbank niet in om te bewijzen dat de economische levensduur van het schip slechts 9 jaar zou bedragen. De lening waarmee de ondernemer het schip had gefinancierd moest in 20 jaar worden afgelost. De door de belastingdienst gehanteerde afschrijvingstermijn van 14 jaar vond de rechtbank redelijk, evenals een restwaarde van 10%. De rechtbank vond niet aannemelijk dat de restwaarde niet meer dan de schrootwaarde zou bedragen.
De winst uit onderneming was ook na de correctie van de afschrijvingen negatief. Dat gold ook voor het inkomen van de binnenvaartschipper.
De vragen of de schipper recht had op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting en of hij in Nederland verzekerd en premieplichtig was voor de volksverzekeringen kwamen daardoor niet meer aan de orde, omdat dat niet kon leiden tot een lagere aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen.
Een zelfstandige binnenvaartschipper, wiens schip een vaste ligplaats had in Duitsland, was in het jaar 2002 zowel naar Nederlands recht als voor de toepassing van het belastingverdrag met Duitsland inwoner van Nederland. Dit betekent dat de gehele winst uit onderneming in de heffing van de Nederlandse inkomstenbelasting werd betrokken.
Bij de aangifte over het jaar 2002 waren de jaarstukken van de onderneming niet meegestuurd. Dat gebeurde pas bij het bezwaarschrift tegen de opgelegde aanslag. De rechtbank was van oordeel dat de wijze waarop aangifte was gedaan geen aanleiding vormde voor toepassing van de zware sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast die de wet stelt op het niet doen van de vereiste aangifte.
Op basis van de normale regels van de bewijslastverdeling slaagde de belastingdienst er niet in om te bewijzen dat een in de jaarstukken vermelde privéstorting winst uit onderneming vormde. De herkomst van de privéstorting was onduidelijk en werd met een later overgelegde leningovereenkomst niet bevredigend verklaard, maar dat leverde onvoldoende bewijs op voor de aangebrachte correctie.
Het bewijs van de hoogte van de afschrijving op het schip lag bij de ondernemer omdat het om een aftrekpost op de winst ging. Deze slaagde er volgens de rechtbank niet in om te bewijzen dat de economische levensduur van het schip slechts 9 jaar zou bedragen. De lening waarmee de ondernemer het schip had gefinancierd moest in 20 jaar worden afgelost. De door de belastingdienst gehanteerde afschrijvingstermijn van 14 jaar vond de rechtbank redelijk, evenals een restwaarde van 10%. De rechtbank vond niet aannemelijk dat de restwaarde niet meer dan de schrootwaarde zou bedragen.
De winst uit onderneming was ook na de correctie van de afschrijvingen negatief. Dat gold ook voor het inkomen van de binnenvaartschipper.
De vragen of de schipper recht had op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting en of hij in Nederland verzekerd en premieplichtig was voor de volksverzekeringen kwamen daardoor niet meer aan de orde, omdat dat niet kon leiden tot een lagere aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen.