
De Belastingdienst legde aan een dga een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op in verband met een uitdeling van winst die zijn BV aan hem had gedaan. Die uitdeling bestond uit de omzetting van een vordering van de BV op de dga in een vordering op een dochtermaatschappij. De dochtermaatschappij kreeg tegenover een schuld aan de BV een vordering op de dga. De dochtermaatschappij was in 2000 failliet gegaan en het faillissement was in 2002 opgeheven bij gebrek aan baten. De omzetting van de vordering vond plaats na de opheffing van het faillissement in een correctie op de eerder ingediende aangifte vennootschapsbelasting. Het financieel eindverslag van de curator vermeldde geen vordering op de dga. De navorderingsaanslag was gebaseerd op de omzetting van een volwaardige vordering op de dga door de BV in een waardeloze vordering op de dochtermaatschappij. Dat was uitsluitend gedaan om de aandeelhouder als zodanig te plezieren. Aan alle voorwaarden voor een uitdeling was voldaan. De BV was verarmd door het verruilen van een volwaardige vordering op haar aandeelhouder voor een onvolwaardige vordering op een niet meer bestaande dochtervennootschap. De dga was daardoor verrijkt. Volgens Hof Leeuwarden moesten zowel de BV als de dga zich daarvan bewust zijn geweest.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen de uitspraak gegrond verklaard voor zover het de boete betrof. Het hof heeft niet gereageerd op de bestrijding door de dga dat er sprake was van opzet of grove schuld van zijn kant. Evenmin onderzocht het hof of sprake was van opzet of grove schuld bij de gemachtigde van de dga. Hof Arnhem moet dat nu onderzoeken.