
Een vennootschap onder firma met drie vennoten dreef een tuindersbedrijf. Twee van de vennoten waren eigenaar van de grond, die zij rekenden tot hun buitenvennootschappelijk bedrijfsvermogen. Zij verkochten de grond voor een prijs van € 1.951.000, inclusief een bedrag van € 340.000 voor de glasopstanden. In geschil was of de opbrengst van de glasopstanden onder de landbouwvrijstelling viel of dat het om opbrengst van de opstal zelf ging. In dat geval zou de opbrengst niet onder de landbouwvrijstelling vallen.
Voor de koper hadden de glasopstanden geen waarde, vandaar dat de verkopers deze voor de levering hadden laten verwijderen. Wanneer de grond niet zou zijn verkocht, zouden de glasopstanden voor de firma een bedrijfswaarde hebben gehad van € 340.000.
Op basis van de afzonderlijke vermelding in de verkoopovereenkomst en het gegeven dat de beide firmanten het aandeel van de opbrengst van de glasopstanden aan de derde vennoot hadden vergoed, kwam de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake was van opbrengst van de grond. Dat hield in dat de landbouwvrijstelling op dat deel van de opbrengst niet van toepassing was.