Willekeurige afschrijving kantoorpand

De aankoopsom van bedrijfsmiddelen wordt niet in een keer ten laste van de winst gebracht, maar in gedeelten via jaarlijkse afschrijving. Startende ondernemers mogen op aangeschafte bedrijfsmiddelen willekeurig afschrijven. Ook dan geldt als uitgangspunt voor de afschrijving de waardevermindering gedurende de verwachte gebruiksduur. De verwachte gebruiksduur is niet de technische levensduur van het bedrijfsmiddel, maar de periode dat het bedrijfsmiddel naar verwachting voor deze ondernemer nut zal hebben. Een startende ondernemer kocht een woning die hij als kantoorpand in gebruik nam. De kostprijs van het kantoorpand bedroeg € 185.500. De koopsom rekende hij voor een klein gedeelte toe aan de grond. Het merendeel van de koopsom, namelijk € 177.090 rekende de ondernemer toe aan de opstal. In het jaar van aanschaf schreef de ondernemer € 166.471 af op het kantoorpand. De ondernemer hanteerde een zeer lage restwaarde, uitgaande van een technische levensduur van 75 jaar. De belastingdienst accepteerde aan reguliere en willekeurige afschrijving op het kantoorpand een bedrag van € 102.124. Het verschil werd veroorzaakt door een hogere restwaarde vanwege een veronderstelde kortere gebruiksduur van het pand. De belastingdienst ging, rekening houdend met de leeftijd van de ondernemer uit van een gebruiksduur van 20 jaar. De rechtbank Arnhem verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit blijkt dat de restwaarde van een bedrijfsmiddel moet worden gesteld op de waarde die het bedrijfsmiddel bij de beëindiging van het gebruik door de ondernemer in elk geval zal hebben. Dat geldt niet alleen voor de reguliere afschrijving, maar ook voor de willekeurige afschrijving. De rechtbank stelde de verwachte gebruiksduur vast op 25 jaar. De rechtbank nam bij de vaststelling van de restwaarde van het pand na 25 jaar de door de ondernemer berekende waardevermindering over een periode van 75 jaar als uitgangspunt. De rechtbank stelde de restwaarde vast op de aanschafprijs, verminderd met 25/75 maal de door de ondernemer veronderstelde waardevermindering. Dat leidde tot een hogere restwaarde dan het bedrag waarvan de belastingdienst was uitgegaan. Gevolg was dat de uitspraak op bezwaar in stand bleef, omdat de belastingdienst daarin een hogere afschrijving had toegestaan dan door de rechtbank was berekend.
De aankoopsom van bedrijfsmiddelen wordt niet in een keer ten laste van de winst gebracht, maar in gedeelten via jaarlijkse afschrijving. Startende ondernemers mogen op aangeschafte bedrijfsmiddelen willekeurig afschrijven. Ook dan geldt als uitgangspunt voor de afschrijving de waardevermindering gedurende de verwachte gebruiksduur. De verwachte gebruiksduur is niet de technische levensduur van het bedrijfsmiddel, maar de periode dat het bedrijfsmiddel naar verwachting voor deze ondernemer nut zal hebben.
Een startende ondernemer kocht een woning die hij als kantoorpand in gebruik nam. De kostprijs van het kantoorpand bedroeg € 185.500. De koopsom rekende hij voor een klein gedeelte toe aan de grond. Het merendeel van de koopsom, namelijk € 177.090 rekende de ondernemer toe aan de opstal. In het jaar van aanschaf schreef de ondernemer € 166.471 af op het kantoorpand. De ondernemer hanteerde een zeer lage restwaarde, uitgaande van een technische levensduur van 75 jaar.
De belastingdienst accepteerde aan reguliere en willekeurige afschrijving op het kantoorpand een bedrag van € 102.124. Het verschil werd veroorzaakt door een hogere restwaarde vanwege een veronderstelde kortere gebruiksduur van het pand. De belastingdienst ging, rekening houdend met de leeftijd van de ondernemer uit van een gebruiksduur van 20 jaar.
De rechtbank Arnhem verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad waaruit blijkt dat de restwaarde van een bedrijfsmiddel moet worden gesteld op de waarde die het bedrijfsmiddel bij de beëindiging van het gebruik door de ondernemer in elk geval zal hebben. Dat geldt niet alleen voor de reguliere afschrijving, maar ook voor de willekeurige afschrijving. De rechtbank stelde de verwachte gebruiksduur vast op 25 jaar. De rechtbank nam bij de vaststelling van de restwaarde van het pand na 25 jaar de door de ondernemer berekende waardevermindering over een periode van 75 jaar als uitgangspunt. De rechtbank stelde de restwaarde vast op de aanschafprijs, verminderd met 25/75 maal de door de ondernemer veronderstelde waardevermindering. Dat leidde tot een hogere restwaarde dan het bedrag waarvan de belastingdienst was uitgegaan. Gevolg was dat de uitspraak op bezwaar in stand bleef, omdat de belastingdienst daarin een hogere afschrijving had toegestaan dan door de rechtbank was berekend.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u