Wetsvoorstel belastingheffing excessieve beloning

Bij de Tweede Kamer is het eerder aangekondigde wetsvoorstel met fiscale maatregelen tegen bepaalde excessieve beloningsbestanddelen ingediend. Het voorstel bevat drie maatregelen: 1. Invoering van een werkgeversheffing van 30% over vertrekvergoedingen voor zover deze hoger zijn dan één jaarloon. De regeling voor een jaarloon vanaf € 500.000. 2. Invoering van een werkgeversheffing van 15% over aanpassingen van pensioenaanspraken uit het verleden als gevolg van salarisverhoging (de zogenaamde backservice). Ook hiervoor geldt een jaarloon van tenminste € 500.000. 3. Heffing van inkomstenbelasting in box 1 over vermogensbestanddelen die als beloning voor werkzaamheden worden verstrekt en waaraan bijzondere condities zijn verbonden. De onder 1. en 2. genoemde maatregelen worden als een pseudo-eindheffing vormgegeven. Als gevolg van deze nieuwe maatregelen komt de in het Belastingplan 2008 opgenomen aftopping van de omkeerregel bij pensioenen te vervallen. De nieuwe maatregelen zullen in de volgende paragraaf nader worden toegelicht. Ad 1. Werkgeversheffing vertrekvergoedingen De beoordeling van een vertrekvergoeding wordt gemaakt aan de hand van een toetsloon, dat is het jaarloon van het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar (het vergelijkingsjaar) waarin de dienstbetrekking is beëindigd. De vertrekvergoeding wordt gesteld op het verschil tussen het jaarloon van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking wordt beëindigd en het toetsloon plus het verschil tussen het jaarloon van het aan het vertrek voorafgaande kalenderjaar en het toetsloon. De vertrekvergoeding is excessief als deze meer bedraagt dan het toetsloon. Over het exces moet de werkgever een heffing van 30% betalen. Deze heffing komt niet in de plaats van loonheffing bij de werknemer over de vertrekvergoeding. De maatregel geldt niet voor vertrekvergoedingen van werknemers die in het vergelijkingsjaar een jaarloon hebben dat lager is dan € 500.000. De werkgeversheffing geldt als de beëindiging van de dienstbetrekking op of na 1 januari 2009 plaatsvindt. Ad 2. Werkgeversheffing bij backservice voor hoge inkomens Eindloonregelingen, waarbij de hoogte van het pensioen is gekoppeld aan het laatstgenoten salaris, zijn de afgelopen jaren massaal omgezet in middelloonregelingen. Voor pensioenregelingen geldt de omkeerregel in de loonbelasting, dat wil zeggen de aanspraken zijn vrijgesteld en de uitkeringen worden t.z.t. belast. De verhoging van de pensioenaanspraken over de verstreken dienstjaren naar een percentage van het laatstverdiende salaris als gevolg van een salarisstijging wordt aangeduid als backservice. De werkgeversheffing geldt bij een pensioengevend loon vanaf € 500.000, maar alleen als sprake is van een salarisstijging en dus van backservice. Dat kan een salarisstijging bij dezelfde werkgever zijn of een salarissprong bij de overstap naar een nieuwe werkgever, waarbij sprake is van inkoop van pensioen door de nieuwe werkgever. Grondslag voor de heffing is een forfaitair berekende backservicepremie. Ook deze heffing komt niet in de plaats van de reguliere loonheffing bij de werknemer. De pensioenmaatregel treedt in werking op 1 januari 2010. Ad 3. Met een werkzaamheid verband houdende lucratieve belangen Deze maatregel is gericht op de mogelijkheid om door het inbouwen van een hefboommechanisme zeer hoge rendementen of waardestijgingen mogelijk te maken bij het behalen van bepaalde management- en/of aandeelhoudersdoeleinden. Ook andere vormen van lucratieve vermogensbestanddelen zoals winstdelende schuldvorderingen vallen onder deze maatregel. Het is niet de bedoeling dat aan werknemers verstrekte normale aandelen onder de nieuwe maatregel vallen. Voorbeeld: Het aandelenkapitaal van een overnamevennootschap is verdeeld in twee soorten aandelen. De eerste soort heeft recht op 10% cumulatief preferent dividend per jaar. De tweede soort deelt volledig in de overwinst van de vennootschap. Van de eerste soort is € 99 miljoen geplaatst en van de tweede soort € 1 miljoen. De overnamevennootschap keert in het eerste jaar geen dividend uit en in het tweede jaar € 40 miljoen. De eerste soort aandelen heeft in totaal recht op € 19,8 miljoen. De tweede soort heeft recht op het restant van € 20,2 miljoen. Als de managers die zijn betrokken bij de overname gezamenlijk 20% van de aandelen van de tweede soort hebben, betekent dit dat zij op een gezamenlijke investering € 200.000 na twee jaar een dividend ontvangen van € 4 miljoen. Omdat bijzondere beloningsbestanddelen ook buiten de sfeer van de dienstbetrekking voorkomen wordt deze maatregel opgenomen in het resultaatregime van de inkomstenbelasting (box 1). Hierdoor ontstaat een aanvullende heffingsmogelijkheid voor voordelen die niet als loon in de belastingheffing zijn betrokken. Uiteraard mag dit niet tot dubbele belastingheffing leiden. De maatregel geldt zowel voor rechten die rechtstreeks worden gehouden, als voor rechten die via een vennootschap worden gehouden. Tenslotte wordt onbedoeld gebruik van de stamrechtvrijstelling uit de loonbelasting bij afkoop van een aandelenoptierecht onmogelijk gemaakt en wordt oneigenlijk gebruik van de normrenteregeling voor personeelsleningen bestreden door aanpassing van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.
Bij de Tweede Kamer is het eerder aangekondigde wetsvoorstel met fiscale maatregelen tegen bepaalde excessieve beloningsbestanddelen ingediend. Het voorstel bevat drie maatregelen:
1. Invoering van een werkgeversheffing van 30% over vertrekvergoedingen voor zover deze hoger zijn dan één jaarloon. De regeling voor een jaarloon vanaf € 500.000.
2. Invoering van een werkgeversheffing van 15% over aanpassingen van pensioenaanspraken uit het verleden als gevolg van salarisverhoging (de zogenaamde backservice). Ook hiervoor geldt een jaarloon van tenminste € 500.000.
3. Heffing van inkomstenbelasting in box 1 over vermogensbestanddelen die als beloning voor werkzaamheden worden verstrekt en waaraan bijzondere condities zijn verbonden.
De onder 1. en 2. genoemde maatregelen worden als een pseudo-eindheffing vormgegeven. Als gevolg van deze nieuwe maatregelen komt de in het Belastingplan 2008 opgenomen aftopping van de omkeerregel bij pensioenen te vervallen. De nieuwe maatregelen zullen in de volgende paragraaf nader worden toegelicht.
Ad 1. Werkgeversheffing vertrekvergoedingen
De beoordeling van een vertrekvergoeding wordt gemaakt aan de hand van een toetsloon, dat is het jaarloon van het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar (het vergelijkingsjaar) waarin de dienstbetrekking is beëindigd. De vertrekvergoeding wordt gesteld op het verschil tussen het jaarloon van het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking wordt beëindigd en het toetsloon plus het verschil tussen het jaarloon van het aan het vertrek voorafgaande kalenderjaar en het toetsloon. De vertrekvergoeding is excessief als deze meer bedraagt dan het toetsloon. Over het exces moet de werkgever een heffing van 30% betalen. Deze heffing komt niet in de plaats van loonheffing bij de werknemer over de vertrekvergoeding. De maatregel geldt niet voor vertrekvergoedingen van werknemers die in het vergelijkingsjaar een jaarloon hebben dat lager is dan € 500.000. De werkgeversheffing geldt als de beëindiging van de dienstbetrekking op of na 1 januari 2009 plaatsvindt.
Ad 2. Werkgeversheffing bij backservice voor hoge inkomens
Eindloonregelingen, waarbij de hoogte van het pensioen is gekoppeld aan het laatstgenoten salaris, zijn de afgelopen jaren massaal omgezet in middelloonregelingen. Voor pensioenregelingen geldt de omkeerregel in de loonbelasting, dat wil zeggen de aanspraken zijn vrijgesteld en de uitkeringen worden t.z.t. belast. De verhoging van de pensioenaanspraken over de verstreken dienstjaren naar een percentage van het laatstverdiende salaris als gevolg van een salarisstijging wordt aangeduid als backservice.
De werkgeversheffing geldt bij een pensioengevend loon vanaf € 500.000, maar alleen als sprake is van een salarisstijging en dus van backservice. Dat kan een salarisstijging bij dezelfde werkgever zijn of een salarissprong bij de overstap naar een nieuwe werkgever, waarbij sprake is van inkoop van pensioen door de nieuwe werkgever. Grondslag voor de heffing is een forfaitair berekende backservicepremie. Ook deze heffing komt niet in de plaats van de reguliere loonheffing bij de werknemer. De pensioenmaatregel treedt in werking op 1 januari 2010.

Ad 3. Met een werkzaamheid verband houdende lucratieve belangen
Deze maatregel is gericht op de mogelijkheid om door het inbouwen van een hefboommechanisme zeer hoge rendementen of waardestijgingen mogelijk te maken bij het behalen van bepaalde management- en/of aandeelhoudersdoeleinden.
Ook andere vormen van lucratieve vermogensbestanddelen zoals winstdelende schuldvorderingen vallen onder deze maatregel.
Het is niet de bedoeling dat aan werknemers verstrekte normale aandelen onder de nieuwe maatregel vallen.
Voorbeeld:
Het aandelenkapitaal van een overnamevennootschap is verdeeld in twee soorten aandelen. De eerste soort heeft recht op 10% cumulatief preferent dividend per jaar. De tweede soort deelt volledig in de overwinst van de vennootschap. Van de eerste soort is € 99 miljoen geplaatst en van de tweede soort € 1 miljoen. De overnamevennootschap keert in het eerste jaar geen dividend uit en in het tweede jaar € 40 miljoen. De eerste soort aandelen heeft in totaal recht op € 19,8 miljoen. De tweede soort heeft recht op het restant van € 20,2 miljoen. Als de managers die zijn betrokken bij de overname gezamenlijk 20% van de aandelen van de tweede soort hebben, betekent dit dat zij op een gezamenlijke investering € 200.000 na twee jaar een dividend ontvangen van € 4 miljoen.
Omdat bijzondere beloningsbestanddelen ook buiten de sfeer van de dienstbetrekking voorkomen wordt deze maatregel opgenomen in het resultaatregime van de inkomstenbelasting (box 1). Hierdoor ontstaat een aanvullende heffingsmogelijkheid voor voordelen die niet als loon in de belastingheffing zijn betrokken. Uiteraard mag dit niet tot dubbele belastingheffing leiden.
De maatregel geldt zowel voor rechten die rechtstreeks worden gehouden, als voor rechten die via een vennootschap worden gehouden.
Tenslotte wordt onbedoeld gebruik van de stamrechtvrijstelling uit de loonbelasting bij afkoop van een aandelenoptierecht onmogelijk gemaakt en wordt oneigenlijk gebruik van de normrenteregeling voor personeelsleningen bestreden door aanpassing van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u