
Een werkgever voerde voor zijn werknemers een werknemersparticipatieregeling in. De regeling hield in dat de werknemers aandelen konden kopen met een korting van maximaal 20% van de marktwaarde. Na de aankoop van de aandelen gold een blokkeringsperiode van 5 jaar. In die periode konden de aandelen niet verkocht worden. De regeling kende twee vormen. Een van deze vormen hield in dat de werknemer niet rechtstreeks eigenaar werd van de aandelen, maar een vorm van stock appreciation right (SAR) kocht. Voor ieder aandeel waarmee de werknemer deelnam ontving de werknemer na afloop van de blokkeringsperiode zijn inleg plus 60% van de waardevermeerdering van 10 aandelen.
De werkgever maakte afspraken met de belastingdienst over de fiscale behandeling van de participatieregeling. Voor de hierboven beschreven vorm hielden de afspraken in dat naar analogie van de fiscale behandeling van een SAR loonheffing zou worden ingehouden op het moment van vervreemding van de aandelen over het door de werknemer genoten voordeel.
De rechtbank Haarlem oordeelde dat de toekenning van de beleggingseenheden aan de werknemer loon in de vorm van een recht was. Het voordeel uit dat recht was in beginsel belast op het moment van toekenning en niet in het jaar waarin de aandelen werden verkocht. Anders dan de belastingdienst meende was de werknemer niet gebonden aan de tussen de werkgever en de belastingdienst gemaakte afspraak over de belastingheffing. De werknemer was geen partij bij deze afspraak en had ook zijn werkgever niet gemachtigd om dergelijke afspraken namens hem te maken.