Werknemer die niet hoefde te werken genoot inkomsten uit vroegere dienstbetrekking
Een werknemer sprak met zijn werkgever af dat hij vanaf 1 januari 1998 tot de ingangsdatum van de VUT op 1 november 1998 geen werkzaamheden hoefde te verrichten. De werkgever betaalde tijdens deze periode het normale loon. Bij de regeling van de aanslag inkomstenbelasting 1998 bracht de inspecteur een aantal correcties op de aangifte aan. De inspecteur weigerde de aftrek van beroepskosten voor een bedrag van ƒ 22.100 en telde een bedrag van ƒ 20.000 bij als voordeel van het privé-gebruik van auto’s van de werkgever. Wel stond de inspecteur aftrek toe van het arbeidskostenforfait voor inkomsten uit vroegere arbeid van ƒ 1.033. De werknemer was van mening dat hij in 1998 inkomsten uit tegenwoordige arbeid genoot tot het moment waarop hij met de VUT ging. Hof Arnhem was het daarmee niet eens. De werknemer hoefde geen werkzaamheden te verrichten en deed dat ook niet. Er was geen sprake van tegenwoordige arbeid in 1998. Dat de dienstbetrekking nog niet was beëindigd vond het Hof niet van belang. Door deze kwalificatie van de inkomsten was aftrek van kosten niet aan de orde. Er was immers geen sprake van kosten die waren gemaakt tot verwerving, inning en behoud van inkomsten, omdat vaststond dat de werkgever het salaris zou doorbetalen tot het moment waarop de werknemer met de VUT zou gaan. Op grond van de wet IB 1964 had de werknemer slechts recht op aftrek van het forfaitaire kostenbedrag van ƒ 1.033.Het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel wees het Hof af. De werknemer meende dat loondoorbetaling tijdens vakantie of ziekte gelijk te stellen was aan de loondoorbetaling in zijn geval en dat er een ongelijke behandeling ontstond door in zijn geval de aftrek van kosten te weigeren. Volgens het Hof was er geen sprake van gelijke gevallen, omdat het ging om werknemers die uitsluitend gedurende hun ziekte of vakantie waren vrijgesteld van de verplichting tot het verrichten van arbeid. Ten aanzien van het privé-gebruik auto merkte het Hof op dat het genoten voordeel moest worden gesteld op de waarde in het economische verkeer. De forfaitaire bijtelling gold niet omdat de auto’s niet in verband met het verrichten van arbeid ter beschikking werden gesteld. Het Hof ging uit van de juistheid van de door de inspecteur overgelegde gegevens, waarbij de kilometerkosten van de auto’s werden berekend op (minimaal) ƒ 0,60. De werknemer slaagde er niet in een lagere kilometerkostprijs aannemelijk te maken. Ten aanzien van de opgelegde boete was het Hof van oordeel dat de werknemer op geen enkel onderdeel een pleitbaar standpunt had ingenomen, maar dat hij zich ervan bewust moest zijn geweest dat zijn handelwijze onjuist was. Hij had opzettelijk een onjuiste aangifte ingediend. Het Hof vond een vergrijpboete van 50% passend en geboden.
Een werknemer sprak met zijn werkgever af dat hij vanaf 1 januari 1998 tot de ingangsdatum van de VUT op 1 november 1998 geen werkzaamheden hoefde te verrichten. De werkgever betaalde tijdens deze periode het normale loon. Bij de regeling van de aanslag inkomstenbelasting 1998 bracht de inspecteur een aantal correcties op de aangifte aan. De inspecteur weigerde de aftrek van beroepskosten voor een bedrag van ƒ 22.100 en telde een bedrag van ƒ 20.000 bij als voordeel van het privé-gebruik van auto’s van de werkgever. Wel stond de inspecteur aftrek toe van het arbeidskostenforfait voor inkomsten uit vroegere arbeid van ƒ 1.033. De werknemer was van mening dat hij in 1998 inkomsten uit tegenwoordige arbeid genoot tot het moment waarop hij met de VUT ging. Hof Arnhem was het daarmee niet eens. De werknemer hoefde geen werkzaamheden te verrichten en deed dat ook niet. Er was geen sprake van tegenwoordige arbeid in 1998. Dat de dienstbetrekking nog niet was beëindigd vond het Hof niet van belang. Door deze kwalificatie van de inkomsten was aftrek van kosten niet aan de orde. Er was immers geen sprake van kosten die waren gemaakt tot verwerving, inning en behoud van inkomsten, omdat vaststond dat de werkgever het salaris zou doorbetalen tot het moment waarop de werknemer met de VUT zou gaan. Op grond van de wet IB 1964 had de werknemer slechts recht op aftrek van het forfaitaire kostenbedrag van ƒ 1.033.Het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel wees het Hof af. De werknemer meende dat loondoorbetaling tijdens vakantie of ziekte gelijk te stellen was aan de loondoorbetaling in zijn geval en dat er een ongelijke behandeling ontstond door in zijn geval de aftrek van kosten te weigeren. Volgens het Hof was er geen sprake van gelijke gevallen, omdat het ging om werknemers die uitsluitend gedurende hun ziekte of vakantie waren vrijgesteld van de verplichting tot het verrichten van arbeid. Ten aanzien van het privé-gebruik auto merkte het Hof op dat het genoten voordeel moest worden gesteld op de waarde in het economische verkeer. De forfaitaire bijtelling gold niet omdat de auto’s niet in verband met het verrichten van arbeid ter beschikking werden gesteld. Het Hof ging uit van de juistheid van de door de inspecteur overgelegde gegevens, waarbij de kilometerkosten van de auto’s werden berekend op (minimaal) ƒ 0,60. De werknemer slaagde er niet in een lagere kilometerkostprijs aannemelijk te maken. Ten aanzien van de opgelegde boete was het Hof van oordeel dat de werknemer op geen enkel onderdeel een pleitbaar standpunt had ingenomen, maar dat hij zich ervan bewust moest zijn geweest dat zijn handelwijze onjuist was. Hij had opzettelijk een onjuiste aangifte ingediend. Het Hof vond een vergrijpboete van 50% passend en geboden.