Werkgever niet aansprakelijk voor schade woon-werkverkeer
De werkgever heeft een wettelijke zorgplicht voor de veiligheid van de werkomgeving van zijn werknemers en de door werknemers te gebruiken werktuigen. Deze zorgplicht en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid houden direct verband met de zeggenschap die de werkgever heeft over de werkplek en zijn bevoegdheid om werknemers aanwijzingen te geven bij de uitoefening van hun werkzaamheden. Deze zorgplicht en de aansprakelijkheid van de werkgever voor schade die de werknemer lijdt bij de uitoefening van zijn werk moeten volgens jurisprudentie van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd. De aansprakelijkheid gaat echter niet zover dat een werkgever altijd aansprakelijk is voor schade die een werknemer lijdt als hij onderweg van zijn werk naar huis een verkeersongeval krijgt.
Een werknemer die op de terugweg van een bijeenkomst van de werkgever een ongeluk kreeg met zijn auto van de zaak, vorderde van zijn werkgever vergoeding van de geleden schade. De werknemer raakte als gevolg van het ongeluk grotendeels arbeidsongeschikt. De toedracht van het ongeluk was niet duidelijk. Omdat niet vaststond dat er een andere auto bij het ongeval betrokken was wees het Waarborgfonds Motorverkeer het verzoek om schadevergoeding af. De werkgever had wel een verzekering voor (letsel)schade van zijn werknemers, maar schade die was veroorzaakt met of door motorrijtuigen was uitgesloten. Voor aansprakelijkheid van de werkgever was vereist dat het ongeval plaats vond "in de uitoefening van de werkzaamheden". De kantonrechter en in hoger beroep het gerechtshof waren van oordeel dat dit niet het geval was. Volgens de Hoge Raad is het niet zo dat schade die een werknemer tijdens het woon-werkverkeer lijdt is geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden als de werknemer de reistijd als overuren mocht declareren.
In 2002 kwam de Hoge Raad, zij het in een afwijkende situatie, tot een ander oordeel. Dat arrest had betrekking op een werknemer die met zijn eigen auto enkele collega’s vervoerde naar de plaats van werkzaamheden, die ver van zijn woonplaats was verwijderd. Op grond van de CAO had deze werknemer recht op vergoeding van zijn reistijd en kreeg hij een autokostenvergoeding met een meerijderstoeslag. In een dergelijk geval vloeit het woon-werkverkeer direct voor uit de arbeidsovereenkomst en is de werkgever aansprakelijk voor door de werknemer geleden schade die niet door een verzekering gedekt is. De werkgever is niet aansprakelijk bij schade door opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.
De werkgever heeft een wettelijke zorgplicht voor de veiligheid van de werkomgeving van zijn werknemers en de door werknemers te gebruiken werktuigen. Deze zorgplicht en de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid houden direct verband met de zeggenschap die de werkgever heeft over de werkplek en zijn bevoegdheid om werknemers aanwijzingen te geven bij de uitoefening van hun werkzaamheden. Deze zorgplicht en de aansprakelijkheid van de werkgever voor schade die de werknemer lijdt bij de uitoefening van zijn werk moeten volgens jurisprudentie van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd. De aansprakelijkheid gaat echter niet zover dat een werkgever altijd aansprakelijk is voor schade die een werknemer lijdt als hij onderweg van zijn werk naar huis een verkeersongeval krijgt.
Een werknemer die op de terugweg van een bijeenkomst van de werkgever een ongeluk kreeg met zijn auto van de zaak, vorderde van zijn werkgever vergoeding van de geleden schade. De werknemer raakte als gevolg van het ongeluk grotendeels arbeidsongeschikt. De toedracht van het ongeluk was niet duidelijk. Omdat niet vaststond dat er een andere auto bij het ongeval betrokken was wees het Waarborgfonds Motorverkeer het verzoek om schadevergoeding af. De werkgever had wel een verzekering voor (letsel)schade van zijn werknemers, maar schade die was veroorzaakt met of door motorrijtuigen was uitgesloten. Voor aansprakelijkheid van de werkgever was vereist dat het ongeval plaats vond "in de uitoefening van de werkzaamheden". De kantonrechter en in hoger beroep het gerechtshof waren van oordeel dat dit niet het geval was. Volgens de Hoge Raad is het niet zo dat schade die een werknemer tijdens het woon-werkverkeer lijdt is geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden als de werknemer de reistijd als overuren mocht declareren.
In 2002 kwam de Hoge Raad, zij het in een afwijkende situatie, tot een ander oordeel. Dat arrest had betrekking op een werknemer die met zijn eigen auto enkele collega’s vervoerde naar de plaats van werkzaamheden, die ver van zijn woonplaats was verwijderd. Op grond van de CAO had deze werknemer recht op vergoeding van zijn reistijd en kreeg hij een autokostenvergoeding met een meerijderstoeslag. In een dergelijk geval vloeit het woon-werkverkeer direct voor uit de arbeidsovereenkomst en is de werkgever aansprakelijk voor door de werknemer geleden schade die niet door een verzekering gedekt is. De werkgever is niet aansprakelijk bij schade door opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.