
Bij langer durende arbeidsongeschiktheid van een werknemer moet een werkgever er voor zorgen dat de werknemer zo snel mogelijk weer aan het werk kan gaan. De werkgever heeft gedurende twee jaar een loondoorbetalingsverplichting jegens een arbeidsongeschikte werknemer. Werkgevers die in die periode onvoldoende re-integratieverplichtingen verrichten, kunnen geconfronteerd worden met een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting.
Het UWV baseerde verlenging van de loondoorbetalingsverplichting op het onjuiste oordeel van de ingeschakelde bedrijfsarts dat een werknemer geen mogelijkheden had om het werk te hervatten. De werkgever was volgens het UWV aansprakelijk voor het onjuiste oordeel van de bedrijfsarts.
De rechtbank deelde deze opvatting niet. Een werkgever mag van de advisering van de bedrijfsarts uitgaan. De werkgever heeft geen volledige risicoaansprakelijkheid voor eventuele fouten van zijn bedrijfsarts. De bedrijfsarts moet wel zijn conclusies over de beperkingen en de mogelijkheden van de werknemer met de werkgever delen, maar mag het medische dossier niet aan hem ter inzage geven.
De rechtbank was van oordeel dat het UWV ten onrechte heeft geconcludeerd dat de werkgever door het oordeel van de bedrijfsarts te volgen onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht. Volgens de rechtbank had de werkgever voldoende re-integratie-inspanningen verricht. De opgelegde loonsanctie van 52 weken is door de rechtbank vernietigd.