Werkgever heeft recht op aftrek omzetbelasting over aan hem gefactureerde verhuiskosten werknemers
Buitenlandse werknemers van een internationaal concern, die werden overgeplaatst naar de Nederlandse vestiging, hadden recht op vergoeding van hun verhuiskosten en van de kosten van opslag van de boedel. In de meeste gevallen ging het om werknemers met een hoge functie, die werden overgeplaatst in verband met hun ervaring. De werkgever schakelde verhuizers in. Die stuurden facturen aan de Nederlandse vestiging van het concern, waarop omzetbelasting werd berekend. De werkgever bracht deze in aftrek. De inspecteur was van mening, dat deze belasting niet voor aftrek in aanmerking kwam en legde naheffingsaanslagen op. Hof Den Haag vond dat de verhuizers geen prestaties hadden verricht voor de werkgever, maar voor de werknemers, omdat het hun persoonlijke inboedels betrof. Het Hof was van mening, dat de omzetbelasting daarom ten onrechte in aftrek was gebracht; de prestaties van de verhuizers vielen onder het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968. Het ging om persoonlijke doeleinden van werknemers, ook al zouden de betreffende uitgaven voor de werkgever zakelijke kosten zijn. Volgens de Hoge Raad blijkt uit de feiten, dat de verhuizers diensten onder bezwarende titel hebben verricht aan de werkgever en niet aan de werknemers. De uitsluiting van de aftrek is niet zonder meer van toepassing; zij geldt niet als er een bijzondere omstandigheid is die de werkgever dwingt om de kosten voor zijn rekening te nemen, zodat de uitgaven primair worden gedaan uit een zakelijk belang en het persoonlijke voordeel voor de werknemers van ondergeschikt belang is. Zo’n bijzondere omstandigheid is aanwezig als de noodzaak van de verhuizingen van de werknemers wordt opgeroepen door de bijzondere behoeften van de onderneming, terwijl de betrokken werknemers niet kunnen kiezen wat de plaats van hun tewerkstelling is. Hof Amsterdam moet nu onderzoeken of die situatie zich bij deze werkgever voordoet.
Buitenlandse werknemers van een internationaal concern, die werden overgeplaatst naar de Nederlandse vestiging, hadden recht op vergoeding van hun verhuiskosten en van de kosten van opslag van de boedel. In de meeste gevallen ging het om werknemers met een hoge functie, die werden overgeplaatst in verband met hun ervaring. De werkgever schakelde verhuizers in. Die stuurden facturen aan de Nederlandse vestiging van het concern, waarop omzetbelasting werd berekend. De werkgever bracht deze in aftrek. De inspecteur was van mening, dat deze belasting niet voor aftrek in aanmerking kwam en legde naheffingsaanslagen op. Hof Den Haag vond dat de verhuizers geen prestaties hadden verricht voor de werkgever, maar voor de werknemers, omdat het hun persoonlijke inboedels betrof. Het Hof was van mening, dat de omzetbelasting daarom ten onrechte in aftrek was gebracht; de prestaties van de verhuizers vielen onder het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968. Het ging om persoonlijke doeleinden van werknemers, ook al zouden de betreffende uitgaven voor de werkgever zakelijke kosten zijn. Volgens de Hoge Raad blijkt uit de feiten, dat de verhuizers diensten onder bezwarende titel hebben verricht aan de werkgever en niet aan de werknemers. De uitsluiting van de aftrek is niet zonder meer van toepassing; zij geldt niet als er een bijzondere omstandigheid is die de werkgever dwingt om de kosten voor zijn rekening te nemen, zodat de uitgaven primair worden gedaan uit een zakelijk belang en het persoonlijke voordeel voor de werknemers van ondergeschikt belang is. Zo’n bijzondere omstandigheid is aanwezig als de noodzaak van de verhuizingen van de werknemers wordt opgeroepen door de bijzondere behoeften van de onderneming, terwijl de betrokken werknemers niet kunnen kiezen wat de plaats van hun tewerkstelling is. Hof Amsterdam moet nu onderzoeken of die situatie zich bij deze werkgever voordoet.