
Banken kenden niet alleen riante beloningsregelingen, maar ook riante vertrekregelingen. Zo verdiende een lid van het senior management van ABN AMRO een vast salaris van € 209.000 per jaar. Daarnaast betaalde de bank jaarlijks een bonus, die over 2005 € 180.000, over 2006 € 250.000, over 2007 € 630.000 en over 2008 € 353.333 bedroeg.
Bij de overname van de bank in oktober 2007 is aan de medewerkers meegedeeld dat deze geen nadelige invloed zou hebben op hun arbeidsvoorwaarden. Het bestaande ontslag(vergoedingen)beleid zou in elk geval tot oktober 2009 van kracht blijven. In de voorziene overgangsperiode zou getracht worden het personeel van ABN AMRO te herplaatsen in andere functies bij de leden van de overnemende partij. De toenmalige voorzitter van de Raad van Bestuur bevestigde aan de werknemer in kwestie dat de oude regeling bij vertrek zou worden toegepast. Voordat de arbeidsovereenkomst wegens overtalligheid van de werknemer werd beëindigd, wijzigde de bank het beleid voor vertrekvergoedingen. Het oude beleid was om bij beëindiging van arbeidsovereenkomsten met wederzijds goedvinden een vergoeding volgens de oude kantonrechtersformule te betalen, waarbij de c-factor (verwijtbaarheid) in beginsel werd gesteld op 1,4 en bij de bepaling van de b-factor het gemiddelde van de bonussen over de laatste drie jaren werd meegenomen. Het nieuwe beleid, dat vanaf 1 januari 2009 geldt, houdt in dat vertrekvergoedingen volgens de nieuwe kantonrechtersformule worden berekend met een neutrale c-factor (van 1) en voor deze werknemer het gemiddelde van de laatste vier jaarbonussen.
In het vertrekvoorstel voor de werknemer was een vergoeding van € 680.000 opgenomen volgens het nieuwe beleid. Op basis van het oude beleid zou de vergoeding € 1.555.000 hebben bedragen. De bank meende dat de gedane toezegging in de brief van de voorzitter van de Raad van Bestuur niet inhield dat de bank zich contractueel had verbonden om het oude vertrekbeleid te handhaven. Het stond de bank dus vrij om het beleid per 1 januari 2009 te wijzigen en bij het vertrek van de werknemer, die na de datum van wijziging boventallig was geworden, het nieuwe beleid toe te passen. De kantonrechter en, in hoger beroep, Hof Amsterdam oordeelden anders. De bank was gebonden aan de toezegging die zij had gedaan aan de werknemer en had niet het recht deze toezegging, die volgens het hof een arbeidsvoorwaarde vormde, eenzijdig te wijzigen.