Werk tijdens voorperiode BV verhindert toepassing 30%-regeling niet
Een Nederlander emigreerde in 1978. In 2002 kwam hij, inmiddels voorzien van een bijzondere deskundigheid, terug naar Nederland. Nadat hij aanvankelijk een eenmanszaak had ingeschreven in het Handelsregister richtte hij medio 2002 een BV op. Per 1 augustus trad hij in dienst bij de BV. De BV verzocht om toepassing van de 30%-regeling. Dat werd naar het oordeel van Hof Arnhem terecht afgewezen, omdat de BV niet kon bewijzen dat zij de deskundige uit een ander land had aangeworven. Toen de deskundige weer in Nederland kwam wonen bestond de BV nog niet. Daardoor ontbrak een inhoudingsplichtige en was het niet mogelijk om de Nederlander als ingekomen werknemer te bestempelen. De Hoge Raad heeft deze uitspraak vernietigd. Het Hof had ten onrechte geoordeeld dat de werknemer al in Nederland woonde toen de opdracht tot oprichting van de BV werd gegeven. Een oprichter van een BV kan namens de nog op te richten BV een arbeidsovereenkomst met zichzelf sluiten. Zo'n overeenkomst zal in de regel inhouden dat hij in de oprichtingsfase werkzaamheden verricht voor de BV en bij de BV in dienst treedt zodra deze is opgericht. Na die oprichting volstaat het wanneer de BV de eerder in haar naam gesloten arbeidsovereenkomst bekrachtigt. Volgens de Hoge Raad was er sprake van een zogenaamde ingekomen werknemer. De opdracht tot oprichting van een BV was gegeven toen de werknemer nog in het buitenland woonde. Op dat moment ging de werknemer werkzaamheden verrichten voor de op te richten BV. De later opgestelde schriftelijke arbeidsovereenkomst hield volgens de Hoge Raad een bekrachtiging door de BV van de eerder in haar naam gesloten arbeidsovereenkomst in.De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Den Bosch voor de vaststelling van de looptijd van de bewijsregel.
Een Nederlander emigreerde in 1978. In 2002 kwam hij, inmiddels voorzien van een bijzondere deskundigheid, terug naar Nederland. Nadat hij aanvankelijk een eenmanszaak had ingeschreven in het Handelsregister richtte hij medio 2002 een BV op. Per 1 augustus trad hij in dienst bij de BV. De BV verzocht om toepassing van de 30%-regeling. Dat werd naar het oordeel van Hof Arnhem terecht afgewezen, omdat de BV niet kon bewijzen dat zij de deskundige uit een ander land had aangeworven. Toen de deskundige weer in Nederland kwam wonen bestond de BV nog niet. Daardoor ontbrak een inhoudingsplichtige en was het niet mogelijk om de Nederlander als ingekomen werknemer te bestempelen. De Hoge Raad heeft deze uitspraak vernietigd. Het Hof had ten onrechte geoordeeld dat de werknemer al in Nederland woonde toen de opdracht tot oprichting van de BV werd gegeven. Een oprichter van een BV kan namens de nog op te richten BV een arbeidsovereenkomst met zichzelf sluiten. Zo'n overeenkomst zal in de regel inhouden dat hij in de oprichtingsfase werkzaamheden verricht voor de BV en bij de BV in dienst treedt zodra deze is opgericht. Na die oprichting volstaat het wanneer de BV de eerder in haar naam gesloten arbeidsovereenkomst bekrachtigt. Volgens de Hoge Raad was er sprake van een zogenaamde ingekomen werknemer. De opdracht tot oprichting van een BV was gegeven toen de werknemer nog in het buitenland woonde. Op dat moment ging de werknemer werkzaamheden verrichten voor de op te richten BV. De later opgestelde schriftelijke arbeidsovereenkomst hield volgens de Hoge Raad een bekrachtiging door de BV van de eerder in haar naam gesloten arbeidsovereenkomst in.De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Den Bosch voor de vaststelling van de looptijd van de bewijsregel.