
Voor beleggers wordt de waarde van verhuurde bedrijfspanden bepaald door de huuropbrengst, de duur van de huurovereenkomst en de kwaliteit van de huurder.
Om een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst te realiseren huurde een projectontwikkelaar zelf een nieuw gebouwd kantoorpand voor een periode van 10 jaar en verkocht het pand vervolgens. De projectontwikkelaar nam hierdoor het leegstandsrisico van het pand op zich, want hij had minder dan de helft van het totale vloeroppervlak in gebruik. De huurprijs was marktconform.
De projectontwikkelaar wilde niet de hele winst op de verkoop van het pand nemen in het jaar van verkoop en wilde daarom een voorziening voor het leegstandsrisico vormen om de winst te drukken.
Volgens Hof Den Bosch staat goed koopmansgebruik in een dergelijke situatie uitstel van winstneming op het verkoopresultaat niet toe. Voor zover het verkoopresultaat een premie bevat voor de overname van het leegstandsrisico moet die premie in het jaar van de verkoop als gerealiseerd worden beschouwd. Naar het oordeel van het hof is het niet mogelijk om voor het leegstandsrisico een voorziening te vormen. Het leegstandsrisico moet worden toegerekend aan het jaar waarin leegstand optreedt. Onderbenutting of stilstand van bedrijfsmiddelen of personeel komt ten laste van het resultaat van het jaar waarin de onderbenutting of de stilstand plaatsvindt. Dit geldt ook voor de leegstand van een kantoorpand dat bedoeld is voor verhuur.
De Hoge Raad deelt de opvatting van het hof ten aanzien van het uitstel van winstneming niet. Wanneer een gedeelte van de verkoopopbrengst eigenlijk een vergoeding is voor risico’s die de verkoper loopt, mag dit gedeelte van de verkoopopbrengst worden toegerekend aan de periode waarin deze risico's worden gelopen.
De Hoge Raad is het wel met Hof Den Bosch eens dat voor het leegstandsrisico geen voorziening gevormd kan worden omdat het risico zich van jaar tot jaar voordoet en daarom aan toekomstige huurperioden moet worden toegerekend.