Wederrechtelijk verkregen voordeel terecht belast
De directeur van een BV verleende aan een vennootschap, waarvan hij de enige aandeelhouder was, een optierecht op aandelen van een dochtermaatschappij van de BV. De voor het optierecht benodigde toestemming van de raad van commissarissen van de BV had hij niet. De uitoefenprijs van het optierecht lag ver onder de marktwaarde van de aandelen, want tegelijkertijd had de BV aan een andere aandeelhouder van de dochtermaatschappij een vergelijkbaar optierecht uitgegeven met een veel hogere uitoefenprijs. De vennootschap van de directeur behaalde met de uitoefening van het optierecht en de verkoop van de aandelen een voordeel van ƒ 8.000.000. Van dat voordeel was een bedrag van ruim ƒ 7.000.000 ten goede gekomen aan de aandeelhouder van de vennootschap. Dat bedrag vormde volgens Hof Den Haag belast inkomen voor de directeur. De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie van de directeur. Volgens de Hoge Raad bleek uit de uitspraak van het Hof en de gedingstukken dat de directeur een constructie had opgezet om uiteindelijk zelf het voordeel op te strijken. Het in 1994 door de directeur genoten voordeel was tenminste gelijk aan het door het Hof berekende bedrag van ruim ƒ 7.000.000.
De directeur van een BV verleende aan een vennootschap, waarvan hij de enige aandeelhouder was, een optierecht op aandelen van een dochtermaatschappij van de BV. De voor het optierecht benodigde toestemming van de raad van commissarissen van de BV had hij niet. De uitoefenprijs van het optierecht lag ver onder de marktwaarde van de aandelen, want tegelijkertijd had de BV aan een andere aandeelhouder van de dochtermaatschappij een vergelijkbaar optierecht uitgegeven met een veel hogere uitoefenprijs. De vennootschap van de directeur behaalde met de uitoefening van het optierecht en de verkoop van de aandelen een voordeel van ƒ 8.000.000. Van dat voordeel was een bedrag van ruim ƒ 7.000.000 ten goede gekomen aan de aandeelhouder van de vennootschap. Dat bedrag vormde volgens Hof Den Haag belast inkomen voor de directeur. De Hoge Raad verwierp het beroep in cassatie van de directeur. Volgens de Hoge Raad bleek uit de uitspraak van het Hof en de gedingstukken dat de directeur een constructie had opgezet om uiteindelijk zelf het voordeel op te strijken. Het in 1994 door de directeur genoten voordeel was tenminste gelijk aan het door het Hof berekende bedrag van ruim ƒ 7.000.000.