Wajong-uitkering is inkomsten vroegere arbeid, lager arbeidskostenforfait geen discriminiatie
Een jonggehandicapte had recht op een zogenaamde Wajonguitkering. Hij werkte in het kader van de arbeidsintegratie voor jonggehandicapten bij een hoveniersbedrijf in een fulltime dienstverband. Hij ontving in aanvulling op zijn Wajonguitkering salaris van het hoveniersbedrijf. Hij had geen recht op het hogere arbeidskostenforfait voor tegenwoordige arbeid, omdat de Wajonguitkering geen tegenprestatie vormt voor verrichte arbeid. Hof Den Haag was van oordeel, dat hij daardoor gediscrimineerd werd ten opzicht van zijn collega’s die hetzelfde werk deden en daarvoor het normale CAO-loon ontvingen. De Hoge Raad vernietigde die uitspraak, omdat die twee gevallen niet gelijk waren. De inkomsten uit arbeid van beiden waren weliswaar gelijk, maar voor de collega vormden die inkomsten geheel de onmiddellijke tegenprestatie voor de verrichte arbeid, terwijl de Wajonguitkering geen onmiddellijke tegenprestatie voor de verrichte arbeid vormde. Dit was voldoende verschil om de wetgever in redelijkheid te laten oordelen dat er voor de toepassing van het arbeidskostenforfait geen sprake was van gelijke gevallen.
Een jonggehandicapte had recht op een zogenaamde Wajonguitkering. Hij werkte in het kader van de arbeidsintegratie voor jonggehandicapten bij een hoveniersbedrijf in een fulltime dienstverband. Hij ontving in aanvulling op zijn Wajonguitkering salaris van het hoveniersbedrijf. Hij had geen recht op het hogere arbeidskostenforfait voor tegenwoordige arbeid, omdat de Wajonguitkering geen tegenprestatie vormt voor verrichte arbeid. Hof Den Haag was van oordeel, dat hij daardoor gediscrimineerd werd ten opzicht van zijn collega’s die hetzelfde werk deden en daarvoor het normale CAO-loon ontvingen. De Hoge Raad vernietigde die uitspraak, omdat die twee gevallen niet gelijk waren. De inkomsten uit arbeid van beiden waren weliswaar gelijk, maar voor de collega vormden die inkomsten geheel de onmiddellijke tegenprestatie voor de verrichte arbeid, terwijl de Wajonguitkering geen onmiddellijke tegenprestatie voor de verrichte arbeid vormde. Dit was voldoende verschil om de wetgever in redelijkheid te laten oordelen dat er voor de toepassing van het arbeidskostenforfait geen sprake was van gelijke gevallen.