Waarnemers tandarts niet in dienstbetrekking

Een tandartsenpraktijk maakte gebruik van de diensten van zogenaamde waarnemers. Deze waarnemers werkten in de praktijk op dagen dat de eigenlijke tandarts niet beschikbaar was. Niet alle waarnemende tandartsen bezaten een zelfstandigenverklaring. De belastingdienst was van oordeel dat de waarnemers in dienstbetrekking werkzaam waren bij de praktijk en legde een naheffingsaanslag loonbelasting op. De aanwezigheid van een dienstbetrekking wordt beoordeeld aan de hand van drie criteria, namelijk het bestaan van een gezagsverhouding, de verplichting om persoonlijk arbeid te verrichten en de betaling van loon. In geval van waarneming ontbreekt vaak de gezagsverhouding. Dat bleek ondermeer uit de inschrijving als zelfstandig waarnemer en de verzekering voor beroepsaansprakelijkheid door de waarnemers zelf. Verder was geen sprake van overleg, rapportage of evaluatie tussen de waarnemers en de praktijk. Hof Amsterdam was van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk wist te maken dat de waarnemers in dienstbetrekking werkten. Dat betekende dat de naheffingsaanslag ten onrechte was opgelegd. Los daarvan was naheffing al niet mogelijk omdat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag de betreffende inkomensbestanddelen niet meer bij de waarnemers in de heffing van inkomstenbelasting kon betrekken. De inspecteur beschikte in juli 2001 over alle relevante gegevens voor het opleggen van de naheffingaanslag. Op dat moment had de inspecteur ook nog aanslagen inkomstenbelasting kunnen opleggen aan de waarnemers.
Een tandartsenpraktijk maakte gebruik van de diensten van zogenaamde waarnemers. Deze waarnemers werkten in de praktijk op dagen dat de eigenlijke tandarts niet beschikbaar was. Niet alle waarnemende tandartsen bezaten een zelfstandigenverklaring. De belastingdienst was van oordeel dat de waarnemers in dienstbetrekking werkzaam waren bij de praktijk en legde een naheffingsaanslag loonbelasting op. De aanwezigheid van een dienstbetrekking wordt beoordeeld aan de hand van drie criteria, namelijk het bestaan van een gezagsverhouding, de verplichting om persoonlijk arbeid te verrichten en de betaling van loon. In geval van waarneming ontbreekt vaak de gezagsverhouding. Dat bleek ondermeer uit de inschrijving als zelfstandig waarnemer en de verzekering voor beroepsaansprakelijkheid door de waarnemers zelf. Verder was geen sprake van overleg, rapportage of evaluatie tussen de waarnemers en de praktijk.
Hof Amsterdam was van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk wist te maken dat de waarnemers in dienstbetrekking werkten. Dat betekende dat de naheffingsaanslag ten onrechte was opgelegd.
Los daarvan was naheffing al niet mogelijk omdat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag de betreffende inkomensbestanddelen niet meer bij de waarnemers in de heffing van inkomstenbelasting kon betrekken. De inspecteur beschikte in juli 2001 over alle relevante gegevens voor het opleggen van de naheffingaanslag. Op dat moment had de inspecteur ook nog aanslagen inkomstenbelasting kunnen opleggen aan de waarnemers.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u