
Een arbeidsverhouding wordt aangemerkt als een dienstbetrekking als aan drie criteria is voldaan. Deze criteria zijn:
1. het bestaan van een gezagsverhouding;
2. de verplichting om de arbeid persoonlijk te verrichten;
3. de betaling van loon.
Het laatste criterium is zelden doorslaggevend bij de beoordeling van een arbeidsverhouding. Meestal bepaalt een van de eerste twee criteria de aard van de arbeidsverhouding.
Een zelfstandige fysiotherapeut maakte in de jaren 2004 en 2005 gedurende enkele maanden gebruik van de diensten van een warnemer. Deze waarnemer beschikte over een door de belastingdienst verstrekte Verklaring Arbeidsrelatie - Resultaat Overige Werkzaamheden (VAR-ROW) voor de betreffende perioden. Na een controle bij de opdrachtgever stelde de belastingdienst zich op het standpunt dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. Het UWV volgde dit standpunt en legde aan de opdrachtgever over de premiejaren 2004 en 2005 correctienota’s op. Het bezwaar tegen deze correctienota’s werd ongegrond verklaard. Dat gold ook voor het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep. De rechtbank was van oordeel dat er een gezagsverhouding bestond tussen de opdrachtgever en de waarnemer.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank onderschreven.
Van wezenlijk belang voor het bestaan van een gezagsverhouding vond de Centrale Raad van Beroep dat de waarnemer werkzaamheden verrichtte die behoorden tot de kerntaak van de onderneming van de opdrachtgever binnen het organisatorisch verband van deze onderneming. De opdrachtgever was degene, die de contracten met ziekenfondsen en zorgverzekeraars had. De waarnemer werkte niet voor eigen rekening, maar voor rekening (en risico) van de opdrachtgever.