Waardering vordering bij einde fiscale eenheid

Een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting werd per 1 januari 2004 ontbonden. De moedermaatschappij had op dat moment een vordering met een nominale waarde van € 404.210 op de dochtermaatschappij. In de loop van 2004 ging de dochtermaatschappij failliet. De moedermaatschappij wilde de vordering op de dochtermaatschappij ten laste van haar winst over 2004 afwaarderen. Voor de vraag of de moedermaatschappij in 2004 een afwaarderingsverlies op de vordering ten laste van de winst kon brengen was de waarde van de vordering op het tijdstip waarop de fiscale eenheid werd verbroken van belang.

 

Volgens de moedermaatschappij was de waarde gelijk aan de nominale waarde, volgens de inspecteur was de waarde van de vordering op dat moment nihil.

Volgens de geldende standaardvoorwaarden voor de fiscale eenheid moest de vordering worden gewaardeerd op de laagste van de nominale en de bedrijfswaarde op het tijdstip van verbreken van de fiscale eenheid.

 

Hof Den Bosch vond dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de vordering ultimo 2003 een waarde had van nihil. De inspecteur had gewezen op de overname door de dochtermaatschappij van een hotelpand uit een faillissement, de voortdurende leegstand van hotelkamers, het negatieve eigen vermogen en de in 2002 en 2003 geleden verliezen van de dochtermaatschappij. Die omstandigheden in hun onderlinge samenhang bezien brachten het hof tot de conclusie dat de bedrijfswaarde van de vordering ultimo 2003 nihil was. Gevolg daarvan was dat in 2004 afwaardering van de vordering ten laste van de winst niet mogelijk was.

<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting werd per 1 januari 2004 ontbonden. De moedermaatschappij had op dat moment een vordering met een nominale waarde van € 404.210 op de dochtermaatschappij. In de loop van 2004 ging de dochtermaatschappij failliet. De moedermaatschappij wilde de vordering op de dochtermaatschappij ten laste van haar winst over 2004 afwaarderen. Voor de vraag of de moedermaatschappij in 2004 een afwaarderingsverlies op de vordering ten laste van de winst kon brengen was de waarde van de vordering op het tijdstip waarop de fiscale eenheid werd verbroken van belang.</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">&nbsp;</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Volgens de moedermaatschappij was de waarde gelijk aan de nominale waarde, volgens de inspecteur was de waarde van de vordering op dat moment nihil. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Volgens de geldende standaardvoorwaarden voor de fiscale eenheid moest de vordering worden gewaardeerd op de laagste van de nominale en de bedrijfswaarde op het tijdstip van verbreken van de fiscale eenheid. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">&nbsp;</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Hof Den Bosch vond dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat de vordering ultimo 2003 een waarde had van nihil. De inspecteur had gewezen op de overname door de dochtermaatschappij van een hotelpand uit een faillissement, de voortdurende leegstand van hotelkamers, het negatieve eigen vermogen en de in 2002 en 2003 geleden verliezen van de dochtermaatschappij. Die omstandigheden in hun onderlinge samenhang bezien brachten het hof tot de conclusie dat de bedrijfswaarde van de vordering ultimo 2003 nihil was. Gevolg daarvan was dat in 2004 afwaardering van de vordering ten laste van de winst niet mogelijk was.</P>
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u