Waardering voorwaardelijke regresvordering
Een borg krijgt bij het aangaan van de borgtochtovereenkomst een voorwaardelijke regresvordering op de schuldenaar. De -opschortende- voorwaarde is dat de borg als borg moet hebben betaald. Deze vordering valt onder de terbeschikkingstellingsregeling als de borg aanmerkelijk belanghouder is van de BV die de schuldenaar is. Bij toepassing van de terbeschikkingstelingsregeling moet periodiek een balans worden opgesteld, waarop de voorwaardelijke regresvordering wordt opgenomen. Bij de waardering van de regresvordering op de balansdatum moet rekening gehouden worden met omstandigheden die op de waarde van invloed zijn. Dergelijke omstandigheden zijn:
1. de kans dat de hoofdschuldenaar zijn betalingsverplichtingen niet nakomt;
2. de kans dat de schuldeiser om die reden de borg aanspreekt;
3. de kans dat de borg na aansprakelijk te zijn gesteld zijn betalingsverplichting nakomt;
4. de kans dat de hoofdschuldenaar de regresvordering kan voldoen.
Behoudens bijzondere omstandigheden heeft een voorwaardelijke regresvordering alleen waarde als de hiervoor genoemde kansen reëel zijn. Is dit niet het geval dan is de waarde van de regresvordering nihil. In dat geval kan de regresvordering niet ten laste van het inkomen worden afgewaardeerd.
De houder van 50% van de aandelen in een BV had zich in 2004 borg gesteld voor een aantal schulden van de BV. De BV staakte in 2005 haar activiteiten. De bank sprak de aandeelhouder in 2006 op grond van de borgstellingsovereenkomst aan voor een bedrag van € 500.000. In zijn aangifte inkomstenbelasting 2005 claimde de aandeelhouder een negatief resultaat uit werkzaamheid van € 500.000, bestaande uit de afwaardering van de regresvordering op de BV. De belastingdienst accepteerde het geclaimde verlies niet. De aandeelhouder verzocht de inspecteur om 80% van het aangegeven verlies te verrekenen met de belastbare inkomens over 2002, 2003 en 2004. De inspecteur wees dat verzoek af.
Er volgde een procedure waarin gevraagd werd om de juistheid van de standpunten van de aandeelhouder te bevestigen, de aanslag te verminderen tot nihil en het verlies vast te stellen op € 402.523. De borg stelde dat de regresvordering op de balans van zijn werkzaamheid moest worden geactiveerd voor € 500.000 en dat de vordering in 2005 moest worden afgewaardeerd tot nihil. Hij slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de hierboven genoemde kansen groter dan verwaarloosbaar waren.
Een borg krijgt bij het aangaan van de borgtochtovereenkomst een voorwaardelijke regresvordering op de schuldenaar. De -opschortende- voorwaarde is dat de borg als borg moet hebben betaald. Deze vordering valt onder de terbeschikkingstellingsregeling als de borg aanmerkelijk belanghouder is van de BV die de schuldenaar is. Bij toepassing van de terbeschikkingstelingsregeling moet periodiek een balans worden opgesteld, waarop de voorwaardelijke regresvordering wordt opgenomen. Bij de waardering van de regresvordering op de balansdatum moet rekening gehouden worden met omstandigheden die op de waarde van invloed zijn. Dergelijke omstandigheden zijn:
1. de kans dat de hoofdschuldenaar zijn betalingsverplichtingen niet nakomt;
2. de kans dat de schuldeiser om die reden de borg aanspreekt;
3. de kans dat de borg na aansprakelijk te zijn gesteld zijn betalingsverplichting nakomt;
4. de kans dat de hoofdschuldenaar de regresvordering kan voldoen.
Behoudens bijzondere omstandigheden heeft een voorwaardelijke regresvordering alleen waarde als de hiervoor genoemde kansen reëel zijn. Is dit niet het geval dan is de waarde van de regresvordering nihil. In dat geval kan de regresvordering niet ten laste van het inkomen worden afgewaardeerd.
De houder van 50% van de aandelen in een BV had zich in 2004 borg gesteld voor een aantal schulden van de BV. De BV staakte in 2005 haar activiteiten. De bank sprak de aandeelhouder in 2006 op grond van de borgstellingsovereenkomst aan voor een bedrag van € 500.000. In zijn aangifte inkomstenbelasting 2005 claimde de aandeelhouder een negatief resultaat uit werkzaamheid van € 500.000, bestaande uit de afwaardering van de regresvordering op de BV. De belastingdienst accepteerde het geclaimde verlies niet. De aandeelhouder verzocht de inspecteur om 80% van het aangegeven verlies te verrekenen met de belastbare inkomens over 2002, 2003 en 2004. De inspecteur wees dat verzoek af.
Er volgde een procedure waarin gevraagd werd om de juistheid van de standpunten van de aandeelhouder te bevestigen, de aanslag te verminderen tot nihil en het verlies vast te stellen op € 402.523. De borg stelde dat de regresvordering op de balans van zijn werkzaamheid moest worden geactiveerd voor € 500.000 en dat de vordering in 2005 moest worden afgewaardeerd tot nihil. Hij slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de hierboven genoemde kansen groter dan verwaarloosbaar waren.