
In het kader van de Wet Waardering Onroerende Zaken wordt de waarde in het economische verkeer van onroerende zaken jaarlijks vastgesteld.
De gemeentelijke heffingsambtenaar stelde de waarde van een voetbalstadion vast op de gecorrigeerde vervangingswaarde, rekening houdend met een zekere mate van functionele veroudering. De gebruiker van het stadion wilde dat de waarde van het stadion op de lagere bedrijfswaarde zou worden gesteld. De heffingsambtenaar was van mening dat het stadion niet bedrijfsmatig werd geëxploiteerd, omdat niet het behalen van een maximaal rendement maar een sportieve en maatschappelijke doelstelling voorop stond.
Volgens de Hoge Raad kan van een incourante onroerende zaak die commercieel wordt gebruikt de gecorrigeerde vervangingswaarde niet hoger zijn dan de bedrijfswaarde. De bedrijfswaarde is de waarde die de onroerende zaak in economische zin voor de huidige eigenaar vertegenwoordigt. Waardering op bedrijfswaarde is alleen mogelijk bij bedrijfsmatig gebruikte onroerende zaken. Hof Arnhem was van oordeel dat het stadion bedrijfsmatig werd gebruikt, zodat de waarde op de bedrijfswaarde mocht worden gesteld.
De Hoge Raad deelt deze opvatting niet. Van bedrijfsmatig gebruikte onroerende zaken is slechts sprake wanneer zij worden geëxploiteerd met geen ander doel dan het behalen van winst. Daartoe volstaat volgens de Hoge Raad niet dat het overwegende belang bij de exploitatie is gelegen in de commerciële verhuur. Niet alleen drijfveren van algemeen belang kunnen bedrijfsmatige exploitatie verhinderen. De Hoge Raad heeft de zaak verwezen naar Hof Den Bosch voor verdere behandeling.