Waardering open geïndexeerd pensioen bij overdracht
Volgens Hof Den Bosch zouden zakelijk handelende partijen bij de overname van pensioenverplichtingen met een open indexatie net als pensioenfondsen zijn uitgegaan van een rekenrente van 4 % zonder toepassing van een na-indexatie. Het Hof baseerde zijn oordeel op de vaststelling dat alleen ondernemings- en bedrijfspensioenfondsen dergelijke pensioenen verzekerden. De Hoge Raad was het met het oordeel van het Hof niet eens.De berekening van de overdrachtswaarde volgens de methode die pensioenfondsen onderling hanteerden was geen juiste vergelijkingsmaatstaf omdat niet was vastgesteld dat deze pensioenfondsen ook bereid zouden zijn om pensioenverplichtingen tegen die condities over te nemen van buiten het eigen circuit. Ook het oordeel van het Hof dat bij de bepaling van de koopsom voor de overgedragen pensioenvoorziening op grond van de wet een rekenrente van tenminste 4 % moet worden gehanteerd was niet juist. De betreffende wetsbepaling heeft betrekking op de jaarwinstbepaling.De zakelijkheid van de overeengekomen prijs moet worden beoordeeld aan de hand van de koopsom die aan een verzekeringsmaatschappij zou moeten worden betaald voor de overname van de pensioenverplichtingen. Dat levensverzekeringsmaatschappijen nooit open geïndexeerde pensioenen verzekeren vormt daarvoor geen beletsel. De waarde van een dergelijk pensioenrecht kan worden bepaald door uit te gaan van de waarde van een pensioen met een vaste indexatie ter vervanging van het toegezegde voorwaardelijke recht. De procedure had betrekking op een BV die in 1978 aan haar drie directeuren en tevens aandeelhouders een pensioen had toegezegd. De pensioentoezeggingen werden in 1994 gewijzigd, waarbij een voorwaardelijk recht op na-indexatie werd verleend. De pensioenverplichtingen werden op 1 december 1999 overgedragen aan de persoonlijke holdings van de directeuren. Bij de berekening van de overdrachtswaarden van de pensioenverplichtingen werd uitgegaan van een rekenrente van 4,75 %, van de sterftetafel GBM/GBV 1985-1990 met een leeftijdsterugstelling van vijf jaren en van een kostenopslag van ƒ 40.000. Daarbij werd een na-indexatie van 2,11 % toegepast. Dit percentage was gelijk aan de gemiddelde consumentenprijsindex over de jaren 1997 tot en met 1999.
Volgens Hof Den Bosch zouden zakelijk handelende partijen bij de overname van pensioenverplichtingen met een open indexatie net als pensioenfondsen zijn uitgegaan van een rekenrente van 4 % zonder toepassing van een na-indexatie. Het Hof baseerde zijn oordeel op de vaststelling dat alleen ondernemings- en bedrijfspensioenfondsen dergelijke pensioenen verzekerden. De Hoge Raad was het met het oordeel van het Hof niet eens.De berekening van de overdrachtswaarde volgens de methode die pensioenfondsen onderling hanteerden was geen juiste vergelijkingsmaatstaf omdat niet was vastgesteld dat deze pensioenfondsen ook bereid zouden zijn om pensioenverplichtingen tegen die condities over te nemen van buiten het eigen circuit. Ook het oordeel van het Hof dat bij de bepaling van de koopsom voor de overgedragen pensioenvoorziening op grond van de wet een rekenrente van tenminste 4 % moet worden gehanteerd was niet juist. De betreffende wetsbepaling heeft betrekking op de jaarwinstbepaling.De zakelijkheid van de overeengekomen prijs moet worden beoordeeld aan de hand van de koopsom die aan een verzekeringsmaatschappij zou moeten worden betaald voor de overname van de pensioenverplichtingen. Dat levensverzekeringsmaatschappijen nooit open geïndexeerde pensioenen verzekeren vormt daarvoor geen beletsel. De waarde van een dergelijk pensioenrecht kan worden bepaald door uit te gaan van de waarde van een pensioen met een vaste indexatie ter vervanging van het toegezegde voorwaardelijke recht. De procedure had betrekking op een BV die in 1978 aan haar drie directeuren en tevens aandeelhouders een pensioen had toegezegd. De pensioentoezeggingen werden in 1994 gewijzigd, waarbij een voorwaardelijk recht op na-indexatie werd verleend. De pensioenverplichtingen werden op 1 december 1999 overgedragen aan de persoonlijke holdings van de directeuren. Bij de berekening van de overdrachtswaarden van de pensioenverplichtingen werd uitgegaan van een rekenrente van 4,75 %, van de sterftetafel GBM/GBV 1985-1990 met een leeftijdsterugstelling van vijf jaren en van een kostenopslag van ƒ 40.000. Daarbij werd een na-indexatie van 2,11 % toegepast. Dit percentage was gelijk aan de gemiddelde consumentenprijsindex over de jaren 1997 tot en met 1999.