Waardering onroerende zaken bij staking landbouwbedrijf
In verband met de beƫindiging van een landbouwbedrijf moest de waarde van de tot het bedrijfsvermogen behorende grond en gebouwen worden vastgesteld. Het ging om een woning met erf, een schuur, twee loodsen en landbouwgrond. Er vond een minnelijke taxatie van de onroerende zaken plaats. Bij de waardering rekenden de taxateurs een perceel van 5000 m2 toe aan de woning als erf en ondergrond. Een gedeelte van 2.350 m2 was voor de bedrijfsbeeindiging in gebruik als bouwland. Na de bedrijfsbeeindiging werd dit gedeelte samen met het overige bouwland verhuurd. In de aangifte inkomstenbelasting over het jaar van staking van de onderneming hanteerde de voormalige landbouwer de taxatie bij de berekening van zijn stakingswinst. In verband met de voortgezette zelfbewoning claimde hij ten opzichte van de getaxeerde waarde in het economische verkeer een waardedruk van 25 %. De belastingdienst corrigeerde deze waardedruk voor de loodsen en voor het perceelgedeelte van 2.350 m2. De landbouwer was het met deze correctie niet eens. Volgens de rechtbank had de landbouwer bij de berekening van zijn stakingswinst een fout gemaakt door voor het perceel van 2.350 m2 geen rekening te houden met de voortdurende agrarische bestemming en niet uit te gaan van de lagere waarde in het economische verkeer bij agrarisch gebruik. Door uit te gaan van deze lagere waarde zou het belastbare inkomen lager uitkomen dan het door de landbouwer bepleite inkomen na ongedaan maken van de aangebrachte correcties. Volgens een uitspraak van de Hoge Raad heeft de rechtbank echter niet de bevoegdheid om de aanslag verder te verminderen dan door de belanghebbende was gevraagd. De vermindering van de aanslag bleef daarom tot dat niveau beperkt.
In verband met de beƫindiging van een landbouwbedrijf moest de waarde van de tot het bedrijfsvermogen behorende grond en gebouwen worden vastgesteld. Het ging om een woning met erf, een schuur, twee loodsen en landbouwgrond. Er vond een minnelijke taxatie van de onroerende zaken plaats. Bij de waardering rekenden de taxateurs een perceel van 5000 m2 toe aan de woning als erf en ondergrond. Een gedeelte van 2.350 m2 was voor de bedrijfsbeeindiging in gebruik als bouwland. Na de bedrijfsbeeindiging werd dit gedeelte samen met het overige bouwland verhuurd. In de aangifte inkomstenbelasting over het jaar van staking van de onderneming hanteerde de voormalige landbouwer de taxatie bij de berekening van zijn stakingswinst. In verband met de voortgezette zelfbewoning claimde hij ten opzichte van de getaxeerde waarde in het economische verkeer een waardedruk van 25 %. De belastingdienst corrigeerde deze waardedruk voor de loodsen en voor het perceelgedeelte van 2.350 m2. De landbouwer was het met deze correctie niet eens. Volgens de rechtbank had de landbouwer bij de berekening van zijn stakingswinst een fout gemaakt door voor het perceel van 2.350 m2 geen rekening te houden met de voortdurende agrarische bestemming en niet uit te gaan van de lagere waarde in het economische verkeer bij agrarisch gebruik. Door uit te gaan van deze lagere waarde zou het belastbare inkomen lager uitkomen dan het door de landbouwer bepleite inkomen na ongedaan maken van de aangebrachte correcties. Volgens een uitspraak van de Hoge Raad heeft de rechtbank echter niet de bevoegdheid om de aanslag verder te verminderen dan door de belanghebbende was gevraagd. De vermindering van de aanslag bleef daarom tot dat niveau beperkt.