
Wanneer een in Nederland gevestigde vennootschap een belang heeft van 95% of meer in een andere in Nederland gevestigde vennootschap, kan op verzoek van beiden een fiscale eenheid voor de vennootschap worden gevormd tussen deze vennootschappen. Onderlinge vorderingen worden direct voor het tijdstip waarop de fiscale eenheid tot stand komt op de bedrijfswaarde of de lagere nominale waarde gesteld. De met deze vorderingen corresponderende schulden worden op dezelfde waarde gesteld.
De moedermaatschappij van een fiscale eenheid die op 1 januari 2005 tot stand kwam had een vordering op de dochtermaatschappij met een nominale waarde van bijna € 15 miljoen. De vordering stond op de balans van de moedermaatschappij voor een bedrag van € 762. De vordering was door de moeder verkregen door overname voor een bedrag dat beduidend lager was dan de nominale waarde. De schuld stond bij de dochtermaatschappij op de balans voor de nominale waarde. De dochtermaatschappij was door het aangaan van de fiscale eenheid verplicht in het jaar 2004 de schuld lager te waarderen waardoor een winst ontstond van bijna € 15 miljoen.
De dochtermaatschappij bestreed dat zij deze winst moest verantwoorden met de stelling dat de afwaardering bij haar vroegere aandeelhouder had plaatsgevonden en daardoor niet ten laste van de Nederlandse winst was gekomen. De wet biedt echter niet de ruimte om in dergelijke situatie de lagere waardering van de schuld achterwege te laten. Evenmin was van belang dat de vordering een hybride karakter had, in die zin dat deze eigenlijk vermogen van de dochtermaatschappij vormde.