Waardering langlopende verplichting mag worden aangepast aan gewijzigde marktrente
Een BV heeft een stamrechtverplichting jegens haar directeur/aandeelhouder. In de stamrechtovereenkomst is vastgelegd, dat de koopsom jaarlijks met 7% wordt opgerent tot een bedrag op einddatum van ƒ 759.611. Dat bedrag moet dan besteed worden aan de aankoop van een lijfrente op het leven van de directeur of zijn nabestaanden. De BV heeft de verplichting gedurende een reeks van jaren berekend met inachtneming van een rekenrente van 7% per jaar. In de aangifte vennootschapsbelasting 1996 is de BV uitgegaan van een rekenrente van 4%. Hof Arnhem was van oordeel, dat het hanteren van een rekenrente van 4% niet is toegestaan, maar dat wel is toegestaan een rekenrente gelijk aan de marktrente per 31 december 1996 te hanteren. Die bedroeg op dat moment 5%. In de procedure voor de Hoge Raad stelde de fiscus zich op het standpunt, dat er sprake is van een zogenaamde gerichte lijfrente, die moet worden gewaardeerd als een schuld tegen samengestelde interest. In navolging van het Hof is de Hoge Raad van oordeel, dat in dit geval de rente slechts een functie heeft voor het bepalen van de uiteindelijke omvang van de langlopende verplichting. Een dergelijke verplichting mag op de winstbepalende balans worden gewaardeerd tegen de geldende marktrente voor langlopende leningen ten tijde van het aangaan van de verplichting. Bij een daling van de rentestand mag de verplichting hoger worden gewaardeerd. Bij een latere stijging van de rente moet de verplichting lager worden gewaardeerd, maar de boekwaarde kan niet lager worden dan bij waardering tegen de oorspronkelijke rente. De Hoge Raad voegt aan zijn uitspraak nog toe, dat bij een rentedragende schuld, die is aangegaan tegen een vaste rente, de jaarlijkse rentelast moet worden toegerekend aan de jaren waarop deze betrekking heeft. Goed koopmansgebruik staat niet toe, dat bij daling van de marktrente de op toekomstige jaren betrekking hebbende rentelast naar voren wordt gehaald door verhoging van de schuld in een eerder jaar.
Een BV heeft een stamrechtverplichting jegens haar directeur/aandeelhouder. In de stamrechtovereenkomst is vastgelegd, dat de koopsom jaarlijks met 7% wordt opgerent tot een bedrag op einddatum van ƒ 759.611. Dat bedrag moet dan besteed worden aan de aankoop van een lijfrente op het leven van de directeur of zijn nabestaanden. De BV heeft de verplichting gedurende een reeks van jaren berekend met inachtneming van een rekenrente van 7% per jaar. In de aangifte vennootschapsbelasting 1996 is de BV uitgegaan van een rekenrente van 4%. Hof Arnhem was van oordeel, dat het hanteren van een rekenrente van 4% niet is toegestaan, maar dat wel is toegestaan een rekenrente gelijk aan de marktrente per 31 december 1996 te hanteren. Die bedroeg op dat moment 5%. In de procedure voor de Hoge Raad stelde de fiscus zich op het standpunt, dat er sprake is van een zogenaamde gerichte lijfrente, die moet worden gewaardeerd als een schuld tegen samengestelde interest. In navolging van het Hof is de Hoge Raad van oordeel, dat in dit geval de rente slechts een functie heeft voor het bepalen van de uiteindelijke omvang van de langlopende verplichting. Een dergelijke verplichting mag op de winstbepalende balans worden gewaardeerd tegen de geldende marktrente voor langlopende leningen ten tijde van het aangaan van de verplichting. Bij een daling van de rentestand mag de verplichting hoger worden gewaardeerd. Bij een latere stijging van de rente moet de verplichting lager worden gewaardeerd, maar de boekwaarde kan niet lager worden dan bij waardering tegen de oorspronkelijke rente. De Hoge Raad voegt aan zijn uitspraak nog toe, dat bij een rentedragende schuld, die is aangegaan tegen een vaste rente, de jaarlijkse rentelast moet worden toegerekend aan de jaren waarop deze betrekking heeft. Goed koopmansgebruik staat niet toe, dat bij daling van de marktrente de op toekomstige jaren betrekking hebbende rentelast naar voren wordt gehaald door verhoging van de schuld in een eerder jaar.