Waardering gerichte lijfrente

Als tegenprestatie voor de overdracht van zijn onderneming aan een door hem opgerichte BV kreeg de inbrenger recht op een gerichte lijfrente. De BV was verplicht om aan de koopsom jaarlijks 8% samengestelde rente toe te voegen. Met het op 65-jarige leeftijd behaalde kapitaal zou dan een lijfrente worden aangekocht. Omdat er niet op een eerder moment dan de 65-jarige leeftijd een lijfrente was toegezegd, was tijdens de opbouwperiode op geen enkel moment een hoger bedrag nodig dan de koopsom vermeerderd met rente. Volgens Hof Arnhem is een dergelijke verplichting op een lijn te stellen met een schuld tegen samengestelde interest. Op de waardering daarvan heeft de marktrente geen invloed. De BV had het op 65-jarige leeftijd van de dga aanwezige bedrag (de koopsom vermeerderd met 8% rente per jaar) contant gemaakt tegen de lagere marktrente van 3,5%, waardoor de verplichting op een hoger bedrag uitkwam. Op deze manier haalde de BV de rentelast naar voren. Dat was volgens het hof in strijd met goed koopmansgebruik. De inspecteur had een aanpassing van de waardering toegestaan, uitgaande van een rekenrente van 4%. De Wet IB 2001 bepaalt namelijk dat bij de waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen een rekenrente van ten minste 4% gehanteerd moet worden.

Volgens de Hoge Raad is de rente bij een gerichte lijfrente niet meer dan een rekengrootheid voor de bepaling van de te zijner tijd uit te keren lijfrentetermijnen. In een arrest van de Hoge Raad uit 2004 is aangegeven dat de verplichting dan op de balans moet worden gewaardeerd tegen de geldende marktrente voor langlopende leningen bij het aangaan van de verplichting. Bij een daling van de rente mag de verplichting hoger worden gewaardeerd. Bij een daarna optredende stijging van de rente moet de lijfrenteverplichting lager worden gewaardeerd, maar niet lager dan met toepassing van de oorspronkelijke rekenrente het geval zou zijn.

De BV mocht gezien de opgetreden daling van de rentestand de lijfrenteverplichting hoger waarderen. De minimale rekenrente moest 4% bedragen. De uitkomst van de procedure was daardoor niet anders dan volgens de beslissing van het hof.

<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt" >Als tegenprestatie voor de overdracht van zijn onderneming aan een door hem opgerichte BV kreeg de inbrenger recht op een gerichte lijfrente. De BV was verplicht om aan de koopsom jaarlijks 8% samengestelde rente toe te voegen. Met het op 65-jarige leeftijd behaalde kapitaal zou dan een lijfrente worden aangekocht. Omdat er niet op een eerder moment dan de 65-jarige leeftijd een lijfrente was toegezegd, was tijdens de opbouwperiode op geen enkel moment een hoger bedrag nodig dan de koopsom vermeerderd met rente. Volgens Hof Arnhem is een dergelijke verplichting op een lijn te stellen met een schuld tegen samengestelde interest. Op de waardering daarvan heeft de marktrente geen invloed. De BV had het op 65-jarige leeftijd van de dga aanwezige bedrag (de koopsom vermeerderd met 8% rente per jaar) contant gemaakt tegen de lagere marktrente van 3,5%, waardoor de verplichting op een hoger bedrag uitkwam. Op deze manier haalde de BV de rentelast naar voren. Dat was volgens het hof in strijd met goed koopmansgebruik. De inspecteur had een aanpassing van de waardering toegestaan, uitgaande van een rekenrente van 4%. De Wet IB 2001 bepaalt namelijk dat bij de waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen een rekenrente van ten minste 4% gehanteerd moet worden.</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt" >Volgens de Hoge Raad is de rente bij een gerichte lijfrente niet meer dan een rekengrootheid voor de bepaling van de te zijner tijd uit te keren lijfrentetermijnen. In een arrest van de Hoge Raad uit 2004 is aangegeven dat de verplichting dan op de balans moet worden gewaardeerd tegen de geldende marktrente voor langlopende leningen bij het aangaan van de verplichting. Bij een daling van de rente mag de verplichting hoger worden gewaardeerd. Bij een daarna optredende stijging van de rente moet de lijfrenteverplichting lager worden gewaardeerd, maar niet lager dan met toepassing van de oorspronkelijke rekenrente het geval zou zijn. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt" >De BV mocht gezien de opgetreden daling van de rentestand de lijfrenteverplichting hoger waarderen. De minimale rekenrente moest 4% bedragen. De uitkomst van de procedure was daardoor niet anders dan volgens de beslissing van het hof. </P>
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u