Waardering bij aanvang ondernemerschap

Wanneer iemand een onderneming begint, worden in het algemeen de bezittingen en schulden bij het opstellen van de openingsbalans van de onderneming gewaardeerd tegen de waarde daarvan in het economische verkeer. Deze hoofdregel blijkt uit oude jurisprudentie van de Hoge Raad. In een door Hof Amsterdam behandelde zaak wilde de Belastingdienst van deze regel afwijken.


De zaak het betrekking op een ondernemer die een akkerbouwbedrijf exploiteerde op door hem gepachte grond. In 1998 verkocht en leverde de verpachter de grond aan de ondernemer en zijn echtgenote, ieder voor de helft. De ondernemer rekende zijn deel van de grond tot zijn ondernemingsvermogen. Zijn echtgenote was geen ondernemer en rekende de grond daarom tot haar privévermogen. Zij verpachtte de grond aan haar man. De pachtovereenkomst werd per 31 december 2000 ontbonden. Op 1 januari 2001 gingen beide echtgenoten een maatschap aan. De grond ging op dat moment tot het ondernemingsvermogen van de vrouw horen. Zij nam de grond in de openingsbalans op voor de waarde in vrij opleverbare staat. Toen het echtpaar enkele jaren later het bedrijf beëindigde en de grond verkocht, ontstond voor de vrouw een verlies op de grond. Door de werking van de landbouwvrijstelling was dat verlies niet aftrekbaar. De inspecteur corrigeerde de aangifte en constateerde een winst omdat hij meende dat de grond niet tegen de waarde in vrij opleverbare staat opgenomen had mogen worden, maar in plaats daarvan tegen de waarde in verpachte staat. Volgens de inspecteur was het pachtrecht niet beëindigd. Hof Amsterdam deelde de opvatting van de inspecteur niet.

<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Wanneer iemand een onderneming begint, worden in het algemeen de bezittingen en schulden bij het opstellen van de openingsbalans van de onderneming gewaardeerd tegen de waarde daarvan in het economische verkeer. Deze hoofdregel blijkt uit oude jurisprudentie van de Hoge Raad. In een door Hof Amsterdam behandelde zaak wilde de Belastingdienst van deze regel afwijken.</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt"><BR>De zaak het betrekking op een ondernemer die een akkerbouwbedrijf exploiteerde op door hem gepachte grond. In 1998 verkocht en leverde de verpachter de grond aan de ondernemer en zijn echtgenote, ieder voor de helft. De ondernemer rekende zijn deel van de grond tot zijn ondernemingsvermogen. Zijn echtgenote was geen ondernemer en rekende de grond daarom tot haar privévermogen. Zij verpachtte de grond aan haar man. De pachtovereenkomst werd per 31 december 2000 ontbonden. Op 1 januari 2001 gingen beide echtgenoten een maatschap aan. De grond ging op dat moment tot het ondernemingsvermogen van de vrouw horen. Zij nam de grond in de openingsbalans op voor de waarde in vrij opleverbare staat. Toen het echtpaar enkele jaren later het bedrijf beëindigde en de grond verkocht, ontstond voor de vrouw een verlies op de grond. Door de werking van de landbouwvrijstelling was dat verlies niet aftrekbaar. De inspecteur corrigeerde de aangifte en constateerde een winst omdat hij meende dat de grond niet tegen de waarde in vrij opleverbare staat opgenomen had mogen worden, maar in plaats daarvan tegen de waarde in verpachte staat. Volgens de inspecteur was het pachtrecht niet beëindigd. Hof Amsterdam deelde de opvatting van de inspecteur niet.</P>
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u