Waardering bewoond pand in nalatenschap
Onderdeel van iemands nalatenschap was een pand dat al enkele jaren werd bewoond door de ouders van de overledene. Het gebruik van het pand door de ouders was niet geregeld in een huurovereenkomst of een andere gebruiksovereenkomst. De ouders betaalden ook geen huur voor het gebruik van de woning. In het testament was een legaat voor het vruchtgebruik van de woning voor de ouders opgenomen. De waarde in het economische verkeer van de woning bedroeg op de overlijdensdatum ƒ 1.057.780.
De erfgenamen meenden dat het pand voor een lagere waarde in de nalatenschap moest worden opgenomen vanwege een uit een morele verplichting jegens de ouder voortgekomen woonbeding. Dat beding zou op grond van het civiele recht afdwingbaar zijn geweest. In verband daarmee moest rekening gehouden worden met een waardedruk van 40%, aldus de erfgenamen. De inspecteur ging uit van de waarde in het economische verkeer. Rekening houdend met het aan de grootouders gelegateerde vruchtgebruik werd bij de erfgenamen 60% van de waarde in het economische verkeer belast.
Volgens een arrest van de Hoge Raad uit 2007 moet bij het ontbreken van een zakelijk recht tot bewoning of een huur- of ander gebruiksrecht worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer. De rechtbank Breda verklaarde het beroep daarom ongegrond.
Onderdeel van iemands nalatenschap was een pand dat al enkele jaren werd bewoond door de ouders van de overledene. Het gebruik van het pand door de ouders was niet geregeld in een huurovereenkomst of een andere gebruiksovereenkomst. De ouders betaalden ook geen huur voor het gebruik van de woning. In het testament was een legaat voor het vruchtgebruik van de woning voor de ouders opgenomen. De waarde in het economische verkeer van de woning bedroeg op de overlijdensdatum ƒ 1.057.780.
De erfgenamen meenden dat het pand voor een lagere waarde in de nalatenschap moest worden opgenomen vanwege een uit een morele verplichting jegens de ouder voortgekomen woonbeding. Dat beding zou op grond van het civiele recht afdwingbaar zijn geweest. In verband daarmee moest rekening gehouden worden met een waardedruk van 40%, aldus de erfgenamen. De inspecteur ging uit van de waarde in het economische verkeer. Rekening houdend met het aan de grootouders gelegateerde vruchtgebruik werd bij de erfgenamen 60% van de waarde in het economische verkeer belast.
Volgens een arrest van de Hoge Raad uit 2007 moet bij het ontbreken van een zakelijk recht tot bewoning of een huur- of ander gebruiksrecht worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer. De rechtbank Breda verklaarde het beroep daarom ongegrond.