
Een ondernemer hield bij de bepaling van zijn winst uit onderneming geen rekening met aan de commanditaire vennootschap, waarvan hij de beherende vennoot was geweest, opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting. In totaal ging het om een bedrag van f 3.325.326. De ondernemer had zijn activiteiten in 1998 beƫindigd. In zijn aangifte inkomstenbelasting over 1998 ging hij uit van een winst uit onderneming van f 138.746. De inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting op naar een inkomen van f 400.000. Na bezwaar werd het inkomen gesteld op f 200.000. Er volgde een procedure voor Hof Den Bosch, waarin ondermeer de vraag was of de bewijslast omgekeerd en verzwaard moest worden. Veronderstellende dat dit het geval was, diende het Hof te beoordelen of de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag redelijk had gehandeld. Naar het oordeel van het Hof was dit niet het geval. De inspecteur wilde op de stakingsbalans van de ondernemer slechts rekening houden met het betaalde bedrag aan omzetbelastingschulden van fl. 618.680.
Volgens het Hof stond op