Waardering 100% aandelenpakket in technische handelsonderneming
Een procedure voor Hof Amsterdam had betrekking op de waardering van het volledige aandelenpakket in een holding. De holding had naast enkele beleggingen een deelneming in een zeer winstgevende handelsonderneming. Als uitgangspunt voor de waardering van de aandelen nam het Hof de geconsolideerde balans en de geconsolideerde resultatenrekening. Het Hof vond aannemelijk dat een koper van de aandelen voor de beleggingen de intrinsieke waarde zou willen betalen en voor de deelneming een aan de hand van de rentabiliteitswaarde te bepalen waarde. Het Hof volgde de visie van de inspecteur en stelde de waarde op tweemaal de intrinsieke en eenmaal de rentabiliteitswaarde, gedeeld door drie.Uitgangspunt voor de intrinsieke waarde was het eigen vermogen, gecorrigeerd voor stille reserves. Tot het eigen vermogen van de B.V. behoorde naar het oordeel van het Hof de gehele winstreserve, inclusief de onverdeelde winst. De intrinsieke waarde bedroeg afgerond ƒ 3.045.000.Voor de bepaling van de rentabiliteitswaarde ging het Hof uit van de gemiddelde winst na belasting over de jaren 1997 tot en met 1999. Die gemiddelde winst bedroeg ƒ 1,1 miljoen. De inspecteur ging uit van een rendement van 10% inclusief risico-opslag. Het Hof was van mening dat de risico-opslag hoger moest zijn en stelde de rentabiliteitswaarde van de aandelen vast op 7 x de winst na belastingen en kwam daarmee uit op ƒ 7,7 miljoen. De waarde van de aandelen bedroeg (7.700.000+3.045.000+3.045.000)/3= 4.600.000.Het vermogen van de aandeelhouder per 1 januari 2000 was door de aangepaste waardeberekening van het Hof lager dan door de inspecteur was vastgesteld. Dat betekende dat het beroep gegrond was.
Een procedure voor Hof Amsterdam had betrekking op de waardering van het volledige aandelenpakket in een holding. De holding had naast enkele beleggingen een deelneming in een zeer winstgevende handelsonderneming. Als uitgangspunt voor de waardering van de aandelen nam het Hof de geconsolideerde balans en de geconsolideerde resultatenrekening. Het Hof vond aannemelijk dat een koper van de aandelen voor de beleggingen de intrinsieke waarde zou willen betalen en voor de deelneming een aan de hand van de rentabiliteitswaarde te bepalen waarde. Het Hof volgde de visie van de inspecteur en stelde de waarde op tweemaal de intrinsieke en eenmaal de rentabiliteitswaarde, gedeeld door drie.Uitgangspunt voor de intrinsieke waarde was het eigen vermogen, gecorrigeerd voor stille reserves. Tot het eigen vermogen van de B.V. behoorde naar het oordeel van het Hof de gehele winstreserve, inclusief de onverdeelde winst. De intrinsieke waarde bedroeg afgerond ƒ 3.045.000.Voor de bepaling van de rentabiliteitswaarde ging het Hof uit van de gemiddelde winst na belasting over de jaren 1997 tot en met 1999. Die gemiddelde winst bedroeg ƒ 1,1 miljoen. De inspecteur ging uit van een rendement van 10% inclusief risico-opslag. Het Hof was van mening dat de risico-opslag hoger moest zijn en stelde de rentabiliteitswaarde van de aandelen vast op 7 x de winst na belastingen en kwam daarmee uit op ƒ 7,7 miljoen. De waarde van de aandelen bedroeg (7.700.000+3.045.000+3.045.000)/3= 4.600.000.Het vermogen van de aandeelhouder per 1 januari 2000 was door de aangepaste waardeberekening van het Hof lager dan door de inspecteur was vastgesteld. Dat betekende dat het beroep gegrond was.