Waardedruk zelfbewoning gold voor aanhorigheden eigen woning
Bij de beëindiging van een landbouwbedrijf werden de tot het bedrijfsvermogen behorende grond en bedrijfsgebouwen overgebracht naar het privé-vermogen. De bedrijfsgebouwen bestonden uit een kippenstal en een berging. De kippenstal werd na de bedrijfsbeëindiging gesloopt. De vraag was welke waarde aan de onroerende zaken moest worden toegekend op het moment van bedrijfsbeëindiging. De belastingdienst had in een taxatierapport de waarde van het totaal aan onroerende zaken, inclusief de tot het privé-vermogen behorende eigen woning, in het economische verkeer vastgesteld op € 362.000. De belanghebbende kon zich daarin vinden, maar was het niet eens met de toerekening van de waarde aan de delen van het totaal. Hij was van mening dat de waarde van het woonhuis veel te laag was vastgesteld. Een onderbouwing van deze stelling gaf de belanghebbende echter niet. Hof Den Bosch volgde daarom de verdeling van de belastingdienst. Ook onderbouwde de belanghebbende zijn stelling dat de waarde in het economische verkeer gelijk gesteld moest worden aan de waarde bij voortgezet agrarisch gebruik niet. Het Hof volgde de door de belastingdienst gehanteerde benadering in het taxatierapport. De belastingdienst had de waardedruk wegens voortgezette duurzame zelfbewoning op 35% gesteld. De vraag was of de waardedruk van toepassing was op alle onroerende bedrijfsonderdelen of op geen enkel. Het Hof was van oordeel dat de waardedruk van toepassing was op die bedrijfsonderdelen die ten tijde van de staking als aanhorigheid van de woning aangemerkt konden worden. De ondergrond en een deel van het erf waren in gebruik als ondergrond van de berging en als tuin van de belanghebbende. Gelet op de grootte van de berging, de ligging naast de woning en de aanbouw aan de woning, vormden de berging en de woning een eenheid. Volgens het Hof waren de ondergrond, het erf en de berging niet zelfstandig verhuurbaar. Deze moesten worden gewaardeerd met in achtneming van de waardedruk. Daarnaast waren er stukken grond die wel zelfstandig verhuurbaar waren en niet dienstbaar waren aan de woning. Deze delen moesten bij de vaststelling van de stakingswinst worden gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer in vrije staat.
Bij de beëindiging van een landbouwbedrijf werden de tot het bedrijfsvermogen behorende grond en bedrijfsgebouwen overgebracht naar het privé-vermogen. De bedrijfsgebouwen bestonden uit een kippenstal en een berging. De kippenstal werd na de bedrijfsbeëindiging gesloopt. De vraag was welke waarde aan de onroerende zaken moest worden toegekend op het moment van bedrijfsbeëindiging. De belastingdienst had in een taxatierapport de waarde van het totaal aan onroerende zaken, inclusief de tot het privé-vermogen behorende eigen woning, in het economische verkeer vastgesteld op € 362.000. De belanghebbende kon zich daarin vinden, maar was het niet eens met de toerekening van de waarde aan de delen van het totaal. Hij was van mening dat de waarde van het woonhuis veel te laag was vastgesteld. Een onderbouwing van deze stelling gaf de belanghebbende echter niet. Hof Den Bosch volgde daarom de verdeling van de belastingdienst. Ook onderbouwde de belanghebbende zijn stelling dat de waarde in het economische verkeer gelijk gesteld moest worden aan de waarde bij voortgezet agrarisch gebruik niet. Het Hof volgde de door de belastingdienst gehanteerde benadering in het taxatierapport. De belastingdienst had de waardedruk wegens voortgezette duurzame zelfbewoning op 35% gesteld. De vraag was of de waardedruk van toepassing was op alle onroerende bedrijfsonderdelen of op geen enkel. Het Hof was van oordeel dat de waardedruk van toepassing was op die bedrijfsonderdelen die ten tijde van de staking als aanhorigheid van de woning aangemerkt konden worden. De ondergrond en een deel van het erf waren in gebruik als ondergrond van de berging en als tuin van de belanghebbende. Gelet op de grootte van de berging, de ligging naast de woning en de aanbouw aan de woning, vormden de berging en de woning een eenheid. Volgens het Hof waren de ondergrond, het erf en de berging niet zelfstandig verhuurbaar. Deze moesten worden gewaardeerd met in achtneming van de waardedruk. Daarnaast waren er stukken grond die wel zelfstandig verhuurbaar waren en niet dienstbaar waren aan de woning. Deze delen moesten bij de vaststelling van de stakingswinst worden gewaardeerd naar de waarde in het economische verkeer in vrije staat.