Waarde vordering op dochter bij einde fiscale eenheid gelijk aan koopsom

Bij de verkoop van een dochtermaatschappij, die deel uitmaakt van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, wordt de waarde van de vordering, die de moedermaatschappij op de verkochte dochtermaatschappij heeft, gesteld op de waarde in het economische verkeer. Als de koper van de dochtermaatschappij de onderneming daarvan voortzet, is het door de koper voor overname van de vordering betaalde bedrag de waarde in het economische verkeer daarvan. De moedermaatschappij stelde zich op standpunt, dat de waarde van de vordering gelijk was aan het nominale bedrag daarvan verminderd met de tijdens de fiscale eenheid geleden verliezen van de dochter. Het verschil tussen de aldus berekende waarde van de vordering en het door de koper betaalde bedrag verwerkte de moedermaatschappij als verlies in haar aangifte vennootschapsbelasting over het jaar van de verkoop. Op die manier wilde de moedermaatschappij voorkomen, dat een gedeelte van de geleden verliezen geen gevolgen voor de belastingheffing zou hebben. Hof Den Haag wees het standpunt van de moedermaatschappij af. De moedermaatschappij voerde in de procedure aan, dat één van de standaardvoorwaarden, die aan toepassing van de fiscale eenheid worden gesteld, onverbindend is. Het betreft de dertiende standaardvoorwaarde, die bepaalt, dat de onderlinge vorderingen en schulden bij het einde van de fiscale eenheid worden gesteld op de bedrijfswaarde, maar niet hoger dan de nominale waarde. Volgens het Hof is deze niet onverbindend.
Bij de verkoop van een dochtermaatschappij, die deel uitmaakt van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting, wordt de waarde van de vordering, die de moedermaatschappij op de verkochte dochtermaatschappij heeft, gesteld op de waarde in het economische verkeer. Als de koper van de dochtermaatschappij de onderneming daarvan voortzet, is het door de koper voor overname van de vordering betaalde bedrag de waarde in het economische verkeer daarvan. De moedermaatschappij stelde zich op standpunt, dat de waarde van de vordering gelijk was aan het nominale bedrag daarvan verminderd met de tijdens de fiscale eenheid geleden verliezen van de dochter. Het verschil tussen de aldus berekende waarde van de vordering en het door de koper betaalde bedrag verwerkte de moedermaatschappij als verlies in haar aangifte vennootschapsbelasting over het jaar van de verkoop. Op die manier wilde de moedermaatschappij voorkomen, dat een gedeelte van de geleden verliezen geen gevolgen voor de belastingheffing zou hebben. Hof Den Haag wees het standpunt van de moedermaatschappij af. De moedermaatschappij voerde in de procedure aan, dat één van de standaardvoorwaarden, die aan toepassing van de fiscale eenheid worden gesteld, onverbindend is. Het betreft de dertiende standaardvoorwaarde, die bepaalt, dat de onderlinge vorderingen en schulden bij het einde van de fiscale eenheid worden gesteld op de bedrijfswaarde, maar niet hoger dan de nominale waarde. Volgens het Hof is deze niet onverbindend.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u