Vrijval vervangingsreserve na wijziging activiteiten
Voor de bij verkoop van bedrijfsmiddelen behaalde boekwinsten konden ondernemers tot 2001 een vervangingsreserve vormen. De behaalde winst werd dan niet direct belast, maar als eerste afschrijving afgeboekt op de kostprijs van vervangende investeringen. Een vervangende investering hoefde niet in hetzelfde jaar plaats te vinden zolang de ondernemer maar duidelijk kon maken dat hij van plan was over te gaan tot vervanging.
Een BV exploiteerde een bungalowpark dat in 1997 werd verkocht en geleverd. De BV nam de boekwinst op het bungalowpark op in een vervangingsreserve. Vervolgens werden de aandelen in de BV verkocht en werden de naam en de doelstelling van de BV gewijzigd. In1998 kocht de BV een kantoorpand. Op de aankoopprijs boekte zij een gedeelte van de vervangingsreserve af. In de loop van hetzelfde jaar werd het kantoorpand weer verkocht. De inspecteur liet bij de regeling van de aanslag vennootschapsbelasting over 1998 de gehele vervangingsreserve vrijvallen ten gunste van de winst. De BV was het daarmee niet eens omdat zij per ultimo 1998 nog steeds het voornemen had om de in 1997 verkochte activa te vervangen. Volgens de inspecteur kon, voor zover de BV nog een vervangingsvoornemen had, gezien de veranderde omstandigheden het voornemen tot vervanging niet gericht zijn op de vervanging binnen de oorspronkelijke bedrijfsvoering. De functie van het nieuwe bedrijfsmiddel, een verhuurd beleggingspand, was een andere was dan die van de verkochte bedrijfsmiddelen. Hof Den Bosch deelde de opvatting van de inspecteur dat de functie van het in 1998 aangeschafte verhuurde beleggingspand een andere was dan die van het verkochte vakantiepark. Ook daarna waren geen vervangende aankopen gedaan die eenzelfde economische functie hadden als het bungalowpark.
Voor de bij verkoop van bedrijfsmiddelen behaalde boekwinsten konden ondernemers tot 2001 een vervangingsreserve vormen. De behaalde winst werd dan niet direct belast, maar als eerste afschrijving afgeboekt op de kostprijs van vervangende investeringen. Een vervangende investering hoefde niet in hetzelfde jaar plaats te vinden zolang de ondernemer maar duidelijk kon maken dat hij van plan was over te gaan tot vervanging.
Een BV exploiteerde een bungalowpark dat in 1997 werd verkocht en geleverd. De BV nam de boekwinst op het bungalowpark op in een vervangingsreserve. Vervolgens werden de aandelen in de BV verkocht en werden de naam en de doelstelling van de BV gewijzigd. In1998 kocht de BV een kantoorpand. Op de aankoopprijs boekte zij een gedeelte van de vervangingsreserve af. In de loop van hetzelfde jaar werd het kantoorpand weer verkocht. De inspecteur liet bij de regeling van de aanslag vennootschapsbelasting over 1998 de gehele vervangingsreserve vrijvallen ten gunste van de winst. De BV was het daarmee niet eens omdat zij per ultimo 1998 nog steeds het voornemen had om de in 1997 verkochte activa te vervangen. Volgens de inspecteur kon, voor zover de BV nog een vervangingsvoornemen had, gezien de veranderde omstandigheden het voornemen tot vervanging niet gericht zijn op de vervanging binnen de oorspronkelijke bedrijfsvoering. De functie van het nieuwe bedrijfsmiddel, een verhuurd beleggingspand, was een andere was dan die van de verkochte bedrijfsmiddelen. Hof Den Bosch deelde de opvatting van de inspecteur dat de functie van het in 1998 aangeschafte verhuurde beleggingspand een andere was dan die van het verkochte vakantiepark. Ook daarna waren geen vervangende aankopen gedaan die eenzelfde economische functie hadden als het bungalowpark.