
Een ondernemer die een technisch ontwikkelingskrediet had gekregen verwerkte de vrijval van het na tien jaar resterende krediet als onbelaste kwijtscheldingswinst. De rechtbank wees het beroep op de vrijstelling af omdat uit de bewoordingen van de kredietovereenkomst volgde dat de staat als schuldeiser na tien jaar geen recht meer had op aflossing van het krediet en betaling van de rente, zodat er op dat moment niets kan worden kwijtgescholden.
De Hoge Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de ondernemer alle op grond van de kredietovereenkomst verschuldigde bedragen had voldaan, zodat de schuldeiser geen verdere rechten op aflossing en betaling van rente had.