Vrijval niet-verhaalbare belastingschuld met toepassing foutenleer belast
De belastingdienst legde aan een BV een naheffingsaanslag omzetbelasting op van ƒ 921.060. De BV nam de aanslag als schuld op haar balans op en bracht het bedrag ten laste van haar resultaat. Over de naheffingsaanslag werd een procedure gevoerd, die door de BV werd verloren. De omzetbelastingschuld werd niet betaald. Wegens het ontbreken van verhaalsmogelijkheden zag de ontvanger af van invordering. In 1998 waren de invorderingsmogelijkheden voor de schuld verjaard omdat de laatste invorderingsactie in 1993 had plaatsgevonden. De belastingdienst legde in verband daarmee een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 1998 op. Daarin werd de aangegeven winst gecorrigeerd met het bedrag van de omzetbelastingschuld. Na bezwaar werd de navorderingsaanslag vernietigd omdat de inspecteur niet over een nieuw feit beschikte. Bij het opleggen van de aanslag vennootschapsbelasting 2001 verhoogde de inspecteur de aangegeven winst met het bedrag van de nog steeds opgenomen omzetbelastingschuld van ƒ 921.060. Voor Hof Amsterdam was in geschil of de inspecteur met een beroep op de foutenleer de aangegeven belastbare winst over het jaar 2001 mocht corrigeren met de omzetbelastingschuld. De BV stelde zich op het standpunt dat de omzetbelastingschuld door de verjaring ultimo 1998 niet meer bestond en dus in 2001 niet aan de winst kon worden toegevoegd. Het Hof deelde deze visie niet. Op grond van de Invorderingswet 1990 was het recht op dwanginvordering of verrekening verjaard. De belastingschuld als zodanig was niet verjaard. De verjaring van een belastingschuld vindt volgens het BW plaats na twintig jaar. Het Hof was van oordeel dat de omzetbelastingschuld per ultimo 1998 op nihil had moeten worden gewaardeerd. Omdat dat niet was gedaan, navordering over 1998 niet mogelijk was en de BV niet tot herstel van de fout bereid was, mocht de inspecteur met toepassing van de zogenoemde foutenleer de in 1998 gemaakte waarderingsfout herstellen. De omzetbelastingschuld moest per 1 januari 2001 op nihil worden gewaardeerd. Het daarmee behaalde voordeel was onderdeel van de belastbare winst over het jaar 2001.
De belastingdienst legde aan een BV een naheffingsaanslag omzetbelasting op van ƒ 921.060. De BV nam de aanslag als schuld op haar balans op en bracht het bedrag ten laste van haar resultaat. Over de naheffingsaanslag werd een procedure gevoerd, die door de BV werd verloren. De omzetbelastingschuld werd niet betaald. Wegens het ontbreken van verhaalsmogelijkheden zag de ontvanger af van invordering. In 1998 waren de invorderingsmogelijkheden voor de schuld verjaard omdat de laatste invorderingsactie in 1993 had plaatsgevonden. De belastingdienst legde in verband daarmee een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 1998 op. Daarin werd de aangegeven winst gecorrigeerd met het bedrag van de omzetbelastingschuld. Na bezwaar werd de navorderingsaanslag vernietigd omdat de inspecteur niet over een nieuw feit beschikte. Bij het opleggen van de aanslag vennootschapsbelasting 2001 verhoogde de inspecteur de aangegeven winst met het bedrag van de nog steeds opgenomen omzetbelastingschuld van ƒ 921.060. Voor Hof Amsterdam was in geschil of de inspecteur met een beroep op de foutenleer de aangegeven belastbare winst over het jaar 2001 mocht corrigeren met de omzetbelastingschuld. De BV stelde zich op het standpunt dat de omzetbelastingschuld door de verjaring ultimo 1998 niet meer bestond en dus in 2001 niet aan de winst kon worden toegevoegd. Het Hof deelde deze visie niet. Op grond van de Invorderingswet 1990 was het recht op dwanginvordering of verrekening verjaard. De belastingschuld als zodanig was niet verjaard. De verjaring van een belastingschuld vindt volgens het BW plaats na twintig jaar. Het Hof was van oordeel dat de omzetbelastingschuld per ultimo 1998 op nihil had moeten worden gewaardeerd. Omdat dat niet was gedaan, navordering over 1998 niet mogelijk was en de BV niet tot herstel van de fout bereid was, mocht de inspecteur met toepassing van de zogenoemde foutenleer de in 1998 gemaakte waarderingsfout herstellen. De omzetbelastingschuld moest per 1 januari 2001 op nihil worden gewaardeerd. Het daarmee behaalde voordeel was onderdeel van de belastbare winst over het jaar 2001.