Vrijstelling voor zorgopdrachten
Twee zogenaamde zorginstellingen wilden de aan hun zorg toevertrouwde arbeidsgehandicapten ook een (on)betaalde werkfunctie kunnen bieden. Daartoe richtten zij een afzonderlijke stichting op. De werkzaamheden van de zorginstellingen waren van omzetbelasting vrijgesteld. De stichting maakte gebruik van door de zorginstellingen bij haar gedetacheerd personeel. De zorginstellingen verzorgden de administratie van de stichting. De werkzaamheden van de stichting waren gesplitst in twee omzetcategorieën, namelijk zorgopdrachten en commerciële opdrachten. De zorgopdrachten hadden betrekking op personen met een AWBZ-indicatie voor "dagbesteding". De stichting merkte de zorgopdrachten aan als vrijgestelde prestaties voor de omzetbelasting. Over de commerciële opdrachten voldeed de stichting omzetbelasting op aangifte.
De belastingdienst legde een naheffingsaanslag op die betrekking had op de zorgopdrachten. De rechtbank was van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. In hoger beroep oordeelde Hof Leeuwarden echter anders.
Voor zogenaamde AWBZ-instellingen, zoals de beide zorginstellingen, zou voor dergelijke prestaties een vrijstelling van omzetbelasting gelden. Het is dan in strijd met het beginsel van fiscale neutraliteit om deze prestaties uit te sluiten van de vrijstelling als zij door een andere instelling worden verricht. Er was namelijk voldaan aan de in de wet opgenomen eis dat met de prestaties geen winst werd beoogd, ook al had de stichting in 2001 een exploitatieoverschot behaald. Het behalen van exploitatieoverschotten verhindert de toepassing van de vrijstelling niet als deze overschotten worden gebruikt voor deze diensten.
Twee zogenaamde zorginstellingen wilden de aan hun zorg toevertrouwde arbeidsgehandicapten ook een (on)betaalde werkfunctie kunnen bieden. Daartoe richtten zij een afzonderlijke stichting op. De werkzaamheden van de zorginstellingen waren van omzetbelasting vrijgesteld. De stichting maakte gebruik van door de zorginstellingen bij haar gedetacheerd personeel. De zorginstellingen verzorgden de administratie van de stichting. De werkzaamheden van de stichting waren gesplitst in twee omzetcategorieën, namelijk zorgopdrachten en commerciële opdrachten. De zorgopdrachten hadden betrekking op personen met een AWBZ-indicatie voor "dagbesteding". De stichting merkte de zorgopdrachten aan als vrijgestelde prestaties voor de omzetbelasting. Over de commerciële opdrachten voldeed de stichting omzetbelasting op aangifte.
De belastingdienst legde een naheffingsaanslag op die betrekking had op de zorgopdrachten. De rechtbank was van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. In hoger beroep oordeelde Hof Leeuwarden echter anders.
Voor zogenaamde AWBZ-instellingen, zoals de beide zorginstellingen, zou voor dergelijke prestaties een vrijstelling van omzetbelasting gelden. Het is dan in strijd met het beginsel van fiscale neutraliteit om deze prestaties uit te sluiten van de vrijstelling als zij door een andere instelling worden verricht. Er was namelijk voldaan aan de in de wet opgenomen eis dat met de prestaties geen winst werd beoogd, ook al had de stichting in 2001 een exploitatieoverschot behaald. Het behalen van exploitatieoverschotten verhindert de toepassing van de vrijstelling niet als deze overschotten worden gebruikt voor deze diensten.