Vrijstelling overdrachtsbelasting verbetering landbouwstructuur geldt niet voor handelaar
Een veehandelaar die tevens handelaar in onroerende zaken was verkreeg op 30 maart 2001 een perceel weiland. Op dezelfde dag verkocht hij dit perceel weer door aan een landbouwer. In beide akten van levering werd een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting die geldt voor de verkrijging van grond in het kader van de verbetering van de landbouwstructuur. Dat die vrijstelling op de tweede levering van toepassing was stond niet ter discussie. De vraag was echter of de vrijstelling ook op de eerste levering van toepassing kon zijn omdat bij directe levering aan de landbouwer de vrijstelling ook van toepassing zou zijn geweest. Zonder doorverkoop had de handelaar in ieder geval geen recht op de vrijstelling, omdat hij niet voldeed aan de voorwaarde van bedrijfsmatige exploitatie van het perceel landbouwgrond. De handelaar beriep zich op een arrest van de Hoge Raad waarin de vrijstelling door bijzondere omstandigheden toch van toepassing was bij een doorverkoop. Het arrest had betrekking op de doorverkoop tegen een lagere prijs aan de kinderen om een economisch verantwoorde exploitatie mogelijk te maken. Die transacties vonden plaats ter verbetering van de landbouwstructuur van de onderneming van de kinderen. Naar het oordeel van Hof Leeuwarden deden zich hier geen bijzondere omstandigheden voor. Bij de handelaar stond het maken van winst voorop. Het wel of niet van toepassing zijn van de vrijstelling was een factor die de winst negatief beïnvloedde, maar er waren meer bepalende factoren, zoals de aankoopprijs en de doorverkoopprijs van het perceel. De verbetering van de landbouwstructuur was volgens het Hof op zichzelf geen doel. De vrijstelling was niet van toepassing.
Een veehandelaar die tevens handelaar in onroerende zaken was verkreeg op 30 maart 2001 een perceel weiland. Op dezelfde dag verkocht hij dit perceel weer door aan een landbouwer. In beide akten van levering werd een beroep gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting die geldt voor de verkrijging van grond in het kader van de verbetering van de landbouwstructuur. Dat die vrijstelling op de tweede levering van toepassing was stond niet ter discussie. De vraag was echter of de vrijstelling ook op de eerste levering van toepassing kon zijn omdat bij directe levering aan de landbouwer de vrijstelling ook van toepassing zou zijn geweest. Zonder doorverkoop had de handelaar in ieder geval geen recht op de vrijstelling, omdat hij niet voldeed aan de voorwaarde van bedrijfsmatige exploitatie van het perceel landbouwgrond. De handelaar beriep zich op een arrest van de Hoge Raad waarin de vrijstelling door bijzondere omstandigheden toch van toepassing was bij een doorverkoop. Het arrest had betrekking op de doorverkoop tegen een lagere prijs aan de kinderen om een economisch verantwoorde exploitatie mogelijk te maken. Die transacties vonden plaats ter verbetering van de landbouwstructuur van de onderneming van de kinderen. Naar het oordeel van Hof Leeuwarden deden zich hier geen bijzondere omstandigheden voor. Bij de handelaar stond het maken van winst voorop. Het wel of niet van toepassing zijn van de vrijstelling was een factor die de winst negatief beïnvloedde, maar er waren meer bepalende factoren, zoals de aankoopprijs en de doorverkoopprijs van het perceel. De verbetering van de landbouwstructuur was volgens het Hof op zichzelf geen doel. De vrijstelling was niet van toepassing.