
Bij de verkrijging van een onroerende zaak moet in het algemeen overdrachtsbelasting worden betaald. Er gelden echter vrijstellingen in diverse situaties. Een van die situaties waarin een vrijstelling geldt, is een ruilverkaveling. Wil de vrijstelling van toepassing zijn, dan moet voldaan zijn aan de voorwaarden die in de Wet Belastingen van Rechtsverkeer en in de Landinrichtingswet daaraan worden gesteld.
Een van die voorwaarden is dat tenminste drie eigenaren hun toebehorende onroerende zaken inbrengen en op een bepaalde wijze verkavelen en verdelen. Het is toegestaan dat iemand tot de ruilverkavelingsovereenkomst toetreedt tegen de inbreng van geld in plaats van de inbreng van onroerende zaken.
Hof Amsterdam stelde in hoger beroep vast dat met de in 2002 gesloten overeenkomst tot kavelruil aan de voorwaarden was voldaan en dat de overeenkomst voldeed aan het doel van landinrichting. De inspecteur had een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd, die betrekking had op een deel van de grond, omdat deze bestemd zou zijn om gebruikt te worden als ondergrond voor een bedrijfswoning. Naar het oordeel van het hof was ook voor dit deel van de verkrijging voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling van overdrachtsbelasting.