Vrijstelling omzetbelasting voor onderwijs
De Wet op de Omzetbelasting kent een vrijstelling voor prestaties op het gebied van onderwijs. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft op verzoek van de Hoge Raad de reikwijdte van deze vrijstelling uitgelegd. De vrijstelling is alleen van toepassing op het tegen vergoeding ter beschikking stellen van een leraar aan een vrijgestelde onderwijsinstelling als de leraar diensten verricht die nauw samenhangen met het vrijgestelde onderwijs en de terbeschikkingstelling nodig is om zo goed mogelijk onderwijs te kunnen geven. De terbeschikkingstelling van een leraar mag niet hoofdzakelijk bedoeld zijn om extra opbrengsten te genereren voor de uitlenende instelling.
Met behulp van deze uitleg kon de Hoge Raad de procedure voortzetten. Het uitlenen op tijdelijke basis van een leraar voorzag in een bestaand tekort aan onderwijzend personeel op de inlenende instelling en hing dus nauw met het onderwijs samen.
De vragen of de terbeschikkingstelling van onderwijzend personeel van zodanige kwaliteit is dat het niveau en de kwaliteit van het onderwijs op de inlenende school anders niet kan worden verzekerd en of de terbeschikkingstelling van leraren niet bedoeld is om extra opbrengsten te genereren vereisen een feitelijk onderzoek. De Hoge Raad heeft daarom de zaak verwezen naar Hof Den Haag voor verdere behandeling.
De Wet op de Omzetbelasting kent een vrijstelling voor prestaties op het gebied van onderwijs. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft op verzoek van de Hoge Raad de reikwijdte van deze vrijstelling uitgelegd. De vrijstelling is alleen van toepassing op het tegen vergoeding ter beschikking stellen van een leraar aan een vrijgestelde onderwijsinstelling als de leraar diensten verricht die nauw samenhangen met het vrijgestelde onderwijs en de terbeschikkingstelling nodig is om zo goed mogelijk onderwijs te kunnen geven. De terbeschikkingstelling van een leraar mag niet hoofdzakelijk bedoeld zijn om extra opbrengsten te genereren voor de uitlenende instelling.
Met behulp van deze uitleg kon de Hoge Raad de procedure voortzetten. Het uitlenen op tijdelijke basis van een leraar voorzag in een bestaand tekort aan onderwijzend personeel op de inlenende instelling en hing dus nauw met het onderwijs samen.
De vragen of de terbeschikkingstelling van onderwijzend personeel van zodanige kwaliteit is dat het niveau en de kwaliteit van het onderwijs op de inlenende school anders niet kan worden verzekerd en of de terbeschikkingstelling van leraren niet bedoeld is om extra opbrengsten te genereren vereisen een feitelijk onderzoek. De Hoge Raad heeft daarom de zaak verwezen naar Hof Den Haag voor verdere behandeling.