Vrijstelling kapitaalsbelasting bij bedrijfsfusie
Een buitenlandse rechtspersoon bracht door middel van een bedrijfsfusie haar gehele vermogen onder in een zestal nieuw opgerichte BV’s. Dat gebeurde evenwel niet direct maar door tussenkomst van een zestal tussenhoudstermaatschappijen. Deze tussenhoudstermaatschappijen waren buitenlandse rechtspersonen. De belastingdienst weigerde de toepassing van de bedrijfsfusievrijstelling en voor de kapitaalsbelasting en legde aan de BV’s naheffingsaanslagen kapitaalsbelasting op. De tussenhoudstermaatschappijen vervulden een wezenlijke functie in de structuur van het concern. Op grond van een arrest van de Hoge Raad uit 2001 zou op een rechtstreekse storting van het gehele vermogen in de zes BV’s de bedrijfsfusievrijstelling voor de kapitaalsbelasting van toepassing zijn geweest. Hof Amsterdam was van oordeel dat er geen sprake was van een constructie die zonder reële betekenis was opgezet om naar de letter van de wet de vrijstelling van toepassing te laten zijn. Die vrijstelling zou van toepassing zijn geweest bij directe inbreng in de BV’s. Vervolgens kwam de vraag aan de orde of de buitenlandse rechtspersoon haar gehele vermogen had ingebracht. Het Hof stelde vast dat deze vennootschap geen ander vermogen had dan het bedrag dat was bestemd voor het doen van investeringen in de tussenhoudstermaatschappijen. Een rechtstreekse inbreng in de BV’s zou dus haar gehele vermogen hebben betroffen. Op een dergelijke inbreng zou de vrijstelling van kapitaalsbelasting van toepassing zijn geweest.
Een buitenlandse rechtspersoon bracht door middel van een bedrijfsfusie haar gehele vermogen onder in een zestal nieuw opgerichte BV’s. Dat gebeurde evenwel niet direct maar door tussenkomst van een zestal tussenhoudstermaatschappijen. Deze tussenhoudstermaatschappijen waren buitenlandse rechtspersonen. De belastingdienst weigerde de toepassing van de bedrijfsfusievrijstelling en voor de kapitaalsbelasting en legde aan de BV’s naheffingsaanslagen kapitaalsbelasting op. De tussenhoudstermaatschappijen vervulden een wezenlijke functie in de structuur van het concern. Op grond van een arrest van de Hoge Raad uit 2001 zou op een rechtstreekse storting van het gehele vermogen in de zes BV’s de bedrijfsfusievrijstelling voor de kapitaalsbelasting van toepassing zijn geweest. Hof Amsterdam was van oordeel dat er geen sprake was van een constructie die zonder reële betekenis was opgezet om naar de letter van de wet de vrijstelling van toepassing te laten zijn. Die vrijstelling zou van toepassing zijn geweest bij directe inbreng in de BV’s. Vervolgens kwam de vraag aan de orde of de buitenlandse rechtspersoon haar gehele vermogen had ingebracht. Het Hof stelde vast dat deze vennootschap geen ander vermogen had dan het bedrag dat was bestemd voor het doen van investeringen in de tussenhoudstermaatschappijen. Een rechtstreekse inbreng in de BV’s zou dus haar gehele vermogen hebben betroffen. Op een dergelijke inbreng zou de vrijstelling van kapitaalsbelasting van toepassing zijn geweest.