Vrijstelling invoer voor terugkerende goederen niet bewezen

Een inwoonster van Nederland droeg bij aankomst uit Zwitserland op Schiphol een zeer duur polshorloge. De douaneambtenaar nam het horloge in bewaring omdat de draagster geen aankoopbewijs kon laten zien. De draagster verklaarde dat zij het horloge van haar echtgenoot had gekregen. Er werd een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd wegens invoer van € 3.122,65. Deze was berekend over de op $ 21.500 vastgestelde douanewaarde. Volgens opgave van de fabrikant was het horloge verkocht in Hong Kong. Het Communautair douanewetboek (CDW) kent een vrijstelling van invoerrechten voor zogenaamde terugkerende goederen. Dat zijn goederen die na uitvoer uit het douanegebied van de EG binnen drie jaar opnieuw in dit douanegebied worden binnengebracht. Deze vrijstelling geldt ook voor de omzetbelasting bij invoer. Toepassing van deze regeling voor particuliere reizigers mag niet worden belemmerd door van hen te verlangen dat zij tot in lengte van jaren bewijsstukken bewaren van alle goederen die zich lenen om op reis te worden meegenomen. Volgens de rechtbank mocht de douane in geval van een zeer duur horloge wel om bewijsstukken vragen. De draagster van het horloge had met een aankoopbon met Nederlandse omzetbelasting of een bewijs van invoer in de EG aannemelijk moeten maken dat het horloge de status van communautair goed had voor het werd uitgevoerd. Gezien het geringe tijdsverloop tussen de verkoopdatum en de aanvang van het onderzoek door de douane zou dat volgens de rechtbank mogelijk moeten zijn. Door het ontbreken van dat bewijs had de douane terecht de regeling “terugkerende goederen” met volledige vrijstelling van omzetbelasting niet toegepast.
Een inwoonster van Nederland droeg bij aankomst uit Zwitserland op Schiphol een zeer duur polshorloge. De douaneambtenaar nam het horloge in bewaring omdat de draagster geen aankoopbewijs kon laten zien. De draagster verklaarde dat zij het horloge van haar echtgenoot had gekregen. Er werd een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd wegens invoer van € 3.122,65. Deze was berekend over de op $ 21.500 vastgestelde douanewaarde. Volgens opgave van de fabrikant was het horloge verkocht in Hong Kong. Het Communautair douanewetboek (CDW) kent een vrijstelling van invoerrechten voor zogenaamde terugkerende goederen. Dat zijn goederen die na uitvoer uit het douanegebied van de EG binnen drie jaar opnieuw in dit douanegebied worden binnengebracht. Deze vrijstelling geldt ook voor de omzetbelasting bij invoer. Toepassing van deze regeling voor particuliere reizigers mag niet worden belemmerd door van hen te verlangen dat zij tot in lengte van jaren bewijsstukken bewaren van alle goederen die zich lenen om op reis te worden meegenomen. Volgens de rechtbank mocht de douane in geval van een zeer duur horloge wel om bewijsstukken vragen. De draagster van het horloge had met een aankoopbon met Nederlandse omzetbelasting of een bewijs van invoer in de EG aannemelijk moeten maken dat het horloge de status van communautair goed had voor het werd uitgevoerd. Gezien het geringe tijdsverloop tussen de verkoopdatum en de aanvang van het onderzoek door de douane zou dat volgens de rechtbank mogelijk moeten zijn. Door het ontbreken van dat bewijs had de douane terecht de regeling “terugkerende goederen” met volledige vrijstelling van omzetbelasting niet toegepast.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u