
Drie vennootschappen vormden per 1 juni 2001 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. De enige activiteit van de kleindochtermaatschappij bestond uit de participatie in twee vastgoedmaatschappen. Op 31 december 2001 werden de vastgoedmaatschappen ontbonden wegens tegenvallende exploitatie. De participanten gaven de bank de onherroepelijke volmacht om de onroerende zaken te verkopen. De bank verleende aan de participanten kwijting voor hetgeen zij uit hoofde van de kredietovereenkomsten waren verschuldigd. De kleindochter had een voordeel door de kwijtschelding van ongeveer € 745.000. Bij de verkoop van de onroerende zaken leed de kleindochtermaatschappij een boekverlies van € 977.000.
Volgens Hof Arnhem was de kwijtscheldingswinst vrijgesteld. In cassatie betoogde de staatssecretaris van Financiën dat door de gekozen opzet geen sprake was van het prijsgeven van een niet voor verwezenlijking vatbaar recht. Volgens de staatssecretaris stond vast dat de bank vanaf het tijdstip van verstrekken van de lening zich uitsluitend zou kunnen verhalen op de onroerende zaken. Volgens de Hoge Raad volgt de juistheid van dit uitgangspunt niet uit de omstandigheid dat de in de vastgoedmaatschappen deelnemende vennootschappen geen andere activa bezaten dan hun belang in die vastgoedmaatschappen. In de procedure voor het hof had de inspecteur geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van dit uitgangspunt. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie daarom afgewezen.