Vriesinstallatie was bestanddeel van onroerende zaak

In de akte van levering van een vrieshuis werd de totale koopprijs gesplitst in een bedrag voor het lege bedrijfspand met grond en een bedrag voor de als roerende zaken aangemerkte machines die zich in het bedrijfspand bevonden. Alleen over het als onroerend aangemerkte deel werd overdrachtsbelasting betaald. De belastingdienst legde na een onderzoek een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op. Volgens de belastingdienst waren de in het vrieshuis aanwezige vriesinstallaties ten onrechte als roerend aangemerkt. Op grond van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW) moesten deze als onroerend worden gekwalificeerd. Volgens Hof Arnhem is voor de overdrachtsbelasting bepalend of een zaak volgens het BW als roerend of onroerend wordt aangemerkt. De eigenaar van het pand verwees naar de in de wet Waardering Onroerende Zaken (WOZ) opgenomen werktuigenvrijstelling. Deze vrijstelling heeft echter alleen betrekking op de waardebepaling voor de wet WOZ en niet op de kwalificatie als roerend of onroerend. Het BW kent twee afzonderlijke criteria om te bepalen of in een situatie als deze sprake is van een zaak of van afzonderlijke zaken: 1. Alles wat volgens verkeeropvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak. 2. Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak. Het Hof was van oordeel dat het vrieshuis zonder de vriesinstallaties incompleet zou zijn en niet zou kunnen functioneren. Daarom vormden deze installaties bestanddelen van het onroerende vrieshuis zolang zij daarin aanwezig waren. Omdat aan het eerste criterium was voldaan deed niet ter zake dat de installaties zonder beschadiging konden worden verwijderd.
In de akte van levering van een vrieshuis werd de totale koopprijs gesplitst in een bedrag voor het lege bedrijfspand met grond en een bedrag voor de als roerende zaken aangemerkte machines die zich in het bedrijfspand bevonden. Alleen over het als onroerend aangemerkte deel werd overdrachtsbelasting betaald. De belastingdienst legde na een onderzoek een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op. Volgens de belastingdienst waren de in het vrieshuis aanwezige vriesinstallaties ten onrechte als roerend aangemerkt. Op grond van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek (BW) moesten deze als onroerend worden gekwalificeerd. Volgens Hof Arnhem is voor de overdrachtsbelasting bepalend of een zaak volgens het BW als roerend of onroerend wordt aangemerkt. De eigenaar van het pand verwees naar de in de wet Waardering Onroerende Zaken (WOZ) opgenomen werktuigenvrijstelling. Deze vrijstelling heeft echter alleen betrekking op de waardebepaling voor de wet WOZ en niet op de kwalificatie als roerend of onroerend.
Het BW kent twee afzonderlijke criteria om te bepalen of in een situatie als deze sprake is van een zaak of van afzonderlijke zaken:
1. Alles wat volgens verkeeropvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak.
2. Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak.
Het Hof was van oordeel dat het vrieshuis zonder de vriesinstallaties incompleet zou zijn en niet zou kunnen functioneren. Daarom vormden deze installaties bestanddelen van het onroerende vrieshuis zolang zij daarin aanwezig waren. Omdat aan het eerste criterium was voldaan deed niet ter zake dat de installaties zonder beschadiging konden worden verwijderd.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u