Vormen meerdere winkels samen een onderneming of is iedere winkel een onderneming?

Een vennootschap onder firma exploiteerde ondermeer een aantal winkels. De vraag was of de winkels gezamenlijk een onderneming waren of dat de afzonderlijke winkels ieder een onderneming vormden. Het belang daarvan was gelegen in de toepassing van de stakingsvrijstelling in het jaar van beëindigen van deze activiteiten. Onder de wet IB 1964 gold de stakingsvrijstelling namelijk per onderneming. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat de winkels geen afzonderlijke ondernemingen waren. Dat had tot gevolg dat er geen recht op stakingsaftrek bestond omdat deze al was genoten bij het afstoten van een winkel in 1990. In een eerdere procedure beantwoordde het Hof de vraag of de winkels samen met de andere activiteiten van deze vennootschap onder firma één onderneming vormden ontkennend. Of de winkels op zichzelf weer afzonderlijke ondernemingen waren kwam toen niet aan de orde. Wel haalde het Hof die eerdere uitspraak aan omdat daarin de feitelijke gang van zaken binnen de vennootschap onder firma werd beschreven. Het Hof was van oordeel dat de geëxploiteerde winkels afzonderlijke ondernemingen waren omdat het ging om organisatorisch, administratief en commercieel zelfstandig opererende eenheden. Uitzondering hierop vormde een winkel die op basis van een franchiseovereenkomst werd geëxploiteerd door de voormalige bedrijfsleider. Vanaf dat moment was er niet meer dan een band als leverancier en verlener van diensten. Deze winkel behoorde tot de overige activiteiten van de vennootschap onder firma. Voor die onderneming bestond na de verkoop van marktplaatsen in 1995 geen recht meer op stakingsaftrek. Het Hof kwam tot de slotsom dat de inspecteur ten onrechte een correctie in de stakingsvrijstelling voor de winkels had aangebracht.
Een vennootschap onder firma exploiteerde ondermeer een aantal winkels. De vraag was of de winkels gezamenlijk een onderneming waren of dat de afzonderlijke winkels ieder een onderneming vormden. Het belang daarvan was gelegen in de toepassing van de stakingsvrijstelling in het jaar van beëindigen van deze activiteiten. Onder de wet IB 1964 gold de stakingsvrijstelling namelijk per onderneming. De inspecteur stelde zich op het standpunt dat de winkels geen afzonderlijke ondernemingen waren. Dat had tot gevolg dat er geen recht op stakingsaftrek bestond omdat deze al was genoten bij het afstoten van een winkel in 1990. In een eerdere procedure beantwoordde het Hof de vraag of de winkels samen met de andere activiteiten van deze vennootschap onder firma één onderneming vormden ontkennend. Of de winkels op zichzelf weer afzonderlijke ondernemingen waren kwam toen niet aan de orde. Wel haalde het Hof die eerdere uitspraak aan omdat daarin de feitelijke gang van zaken binnen de vennootschap onder firma werd beschreven. Het Hof was van oordeel dat de geëxploiteerde winkels afzonderlijke ondernemingen waren omdat het ging om organisatorisch, administratief en commercieel zelfstandig opererende eenheden. Uitzondering hierop vormde een winkel die op basis van een franchiseovereenkomst werd geëxploiteerd door de voormalige bedrijfsleider. Vanaf dat moment was er niet meer dan een band als leverancier en verlener van diensten. Deze winkel behoorde tot de overige activiteiten van de vennootschap onder firma. Voor die onderneming bestond na de verkoop van marktplaatsen in 1995 geen recht meer op stakingsaftrek. Het Hof kwam tot de slotsom dat de inspecteur ten onrechte een correctie in de stakingsvrijstelling voor de winkels had aangebracht.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u