Vordering van BV op DGA was geen verkapte winstuitdeling
Een DGA en zijn BV moeten ondanks de nauwe band die tussen hen bestaat zakelijk met elkaar handelen. Bij iedere transactie die zij aangaan geldt als criterium of deze met een onafhankelijke derde ook zou zijn aangegaan. In de praktijk wordt daar niet altijd goed op gelet en nemen DGA's makkelijk geld op bij de BV, zonder voldoende zekerheid te geven voor de terugbetaling. Dan dreigt het risico dat de belastingdienst stelt dat de BV een winstuitdeling (dividenduitkering) heeft gedaan aan de DGA. Een DGA sloot in 1998 drie overeenkomsten van geldlening met zijn BV. Het ging om een lening van ƒ 2.500.000 met als zekerheid een effectenportefeuille, een lening van ƒ 1.500.000 met als zekerheid eveneens de effectenportefeuille en een lening van ƒ 1.000.000 met als zekerheid een 2e hypotheek op de eigen woning. De waarde van de woning bedroeg volgens een taxatierapport ƒ 2.900.000. Over de jaren 1998 tot en met 2000 betaalde de DGA de rente over de eerste twee leningen niet. In plaats daarvan werd deze op de hoofdsom bijgeschreven. In 2002 vond een boekenonderzoek plaats dat betrekking had op het verloop van de rekening-courantverhouding. De schuld van de DGA aan de BV bedroeg volgens het rapport op 31 december 2000 ƒ 2,8 miljoen. Omdat de effectenportefeuille niets meer waard was stelde de inspecteur dat de BV een winstuitdeling had gedaan aan de DGA van ƒ 850.000 per 1 januari 1999 en van ƒ 1.500.000 per 1 januari 2000. De inspecteur stelde de aanslagen inkomstenbelasting over 1999 en 2000 dienovereenkomstig vast. Volgens Hof Arnhem baseerde de inspecteur zich op onjuiste gegevens. De schuld van de DGA bedroeg volgens de inspecteur per 1 januari 1999 ƒ 3,65 miljoen. Op dat moment bestond er echter een als 2e hypotheek bedoelde maar in rekening-courant verwerkte schuld van ƒ 1.000.000 en een rekening-courantschuld van ƒ 1,65 miljoen. Tegenover deze laatste schuld stond een effectenportefeuille van ruim ƒ 1 miljoen. Het dekkingstekort bedroeg ongeveer ƒ 600.000. Het overige vermogen van de DGA, bestaande uit zijn aanmerkelijk belangaandelen met een waarde van ƒ 2,8 miljoen en de overwaarde van de eigen woning bood echter voldoende verhaal. Volgens het Hof had de inspecteur de door hem gestelde uitdeling niet aannemelijk gemaakt. Dat gold eveneens voor de gestelde uitdeling per 1 januari 2000.
Een DGA en zijn BV moeten ondanks de nauwe band die tussen hen bestaat zakelijk met elkaar handelen. Bij iedere transactie die zij aangaan geldt als criterium of deze met een onafhankelijke derde ook zou zijn aangegaan. In de praktijk wordt daar niet altijd goed op gelet en nemen DGA's makkelijk geld op bij de BV, zonder voldoende zekerheid te geven voor de terugbetaling. Dan dreigt het risico dat de belastingdienst stelt dat de BV een winstuitdeling (dividenduitkering) heeft gedaan aan de DGA. Een DGA sloot in 1998 drie overeenkomsten van geldlening met zijn BV. Het ging om een lening van ƒ 2.500.000 met als zekerheid een effectenportefeuille, een lening van ƒ 1.500.000 met als zekerheid eveneens de effectenportefeuille en een lening van ƒ 1.000.000 met als zekerheid een 2e hypotheek op de eigen woning. De waarde van de woning bedroeg volgens een taxatierapport ƒ 2.900.000. Over de jaren 1998 tot en met 2000 betaalde de DGA de rente over de eerste twee leningen niet. In plaats daarvan werd deze op de hoofdsom bijgeschreven. In 2002 vond een boekenonderzoek plaats dat betrekking had op het verloop van de rekening-courantverhouding. De schuld van de DGA aan de BV bedroeg volgens het rapport op 31 december 2000 ƒ 2,8 miljoen. Omdat de effectenportefeuille niets meer waard was stelde de inspecteur dat de BV een winstuitdeling had gedaan aan de DGA van ƒ 850.000 per 1 januari 1999 en van ƒ 1.500.000 per 1 januari 2000. De inspecteur stelde de aanslagen inkomstenbelasting over 1999 en 2000 dienovereenkomstig vast. Volgens Hof Arnhem baseerde de inspecteur zich op onjuiste gegevens. De schuld van de DGA bedroeg volgens de inspecteur per 1 januari 1999 ƒ 3,65 miljoen. Op dat moment bestond er echter een als 2e hypotheek bedoelde maar in rekening-courant verwerkte schuld van ƒ 1.000.000 en een rekening-courantschuld van ƒ 1,65 miljoen. Tegenover deze laatste schuld stond een effectenportefeuille van ruim ƒ 1 miljoen. Het dekkingstekort bedroeg ongeveer ƒ 600.000. Het overige vermogen van de DGA, bestaande uit zijn aanmerkelijk belangaandelen met een waarde van ƒ 2,8 miljoen en de overwaarde van de eigen woning bood echter voldoende verhaal. Volgens het Hof had de inspecteur de door hem gestelde uitdeling niet aannemelijk gemaakt. Dat gold eveneens voor de gestelde uitdeling per 1 januari 2000.