
Wanneer de houder van een aanmerkelijk belang in een BV een lening verstrekt aan deze BV, is sprake van een werkzaamheid voor de toepassing van de Wet IB 2001. Iemand heeft een aanmerkelijk belang als hij voor 5% of meer aandeelhouder is of het recht heeft om tenminste 5% van het geplaatste kapitaal van een BV te verwerven.
Een werknemer die een lening verstrekte aan de BV waarvoor hij werkte, wilde het verlies dat hij leed op de vordering bij het faillissement van de BV ten laste van zijn inkomen in box 1 brengen. Juridisch was de werknemer echter nooit aandeelhouder geweest van de BV. De vraag was of hij wellicht de economische eigendom van of een koopoptie op tenminste 5% van de aandelen had voor het moment van afwaardering van de vordering op de BV. Er waren getuigenverklaringen waaruit bleek dat de enige aandeelhouder het personeel van de BV had geïnformeerd over de overdracht van een deel van de aandelen aan de werknemer. Het bestaan van een economisch belang bij een deel van de aandelen of een koopoptie op een deel van de aandelen werd daardoor echter niet bewezen. Hof Amsterdam vond aannemelijk dat er plannen of voornemens waren om een deel van de aandelen aan de werknemer over te dragen, maar niet dat daaraan in voldoende mate uitvoering was gegeven. De werknemer had geen aanmerkelijk belang in de BV en daarom geen negatief resultaat uit een werkzaamheid.
Omdat de lening was verstrekt met de bedoeling om een aandelenbelang te verwerven in de BV, was er geen samenhang met de dienstbetrekking bij de BV. Het hof vond in ieder geval niet aannemelijk dat de werknemer de geldlening ter behoud van zijn dienstbetrekking had verstrekt. Om die reden kon het verlies op de vordering niet worden aangemerkt als negatief loon.