
Als een BV een vordering heeft op een aandeelhouder dient de BV een zakelijke rente in rekening te brengen. Op grond van het “at arm’s length” beginsel moeten gelieerde partijen bij onderlinge transacties de voorwaarden in acht nemen die zouden gelden tussen niet-gelieerde partijen.
In een voorkomend geval corrigeerde de belastingdienst de winst van een BV met een zakelijke rentevergoeding van 4% over het gemiddelde saldo van de rekening-courantvordering op de dga. De BV bestreed het bestaan van een vordering op de dga. In een procedure over een eerder jaar was echter vastgesteld dat de BV een aanzienlijke vordering had op de dga. De belastingdienst had het verloop van de rekening-courantvordering in de tussenliggende periode berekend. Volgens deze berekening bedroeg de rekening-courantvordering op de dga ruim € 646.000 per 1 januari 2003 en bijna € 672.000 per 31 december 2003. De rechtbank en in hoger beroep het gerechtshof volgden de berekening van de belastingdienst en accepteerden de winstcorrectie.